This is a reproduction of a library book that was digitized by Google as part of an ongoing effort to preserve the information in books and make it universally accessible.
Google books
https://books.google.com
Over dit boek
Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automatisch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “watermerk” van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web vialhttp: //books.google.co
à h
Dh
ee
Ps € sn
. S hr nt.
en
Es
pe
EN … hd PN . e andes Arna rt men hdd eh nd
Ed ve Met
ee Nn 4 5 nd
et
A
Gt
«
WRABERKG
*
|
ie id 4 Mt ed
ris RUE
5
P‘ aad _
bes en’ biamet 44 en Oee a
8 - = te rep maren id NN A
ed ee
TT
— Ld EN
* +4
- mh EEE Ed deVer .
tent
ie € mm
pet Are dd
mp en ek AN, se
r ä'à dd ded
…
E
_
Te eere “'s
dje en Me DEN ..-
Dr .
- _ à be)
EE Ll
. EK .
del hd
… à
On ese en
Oer Ean - se. en ame iN mr Gaever
paal dd od «
'
. mn
ren oe nd rg 1
| | t | | |
- TAR ê me” we Î -
Ne erger eem meere Ita ef et TE POT kh .“ ‘ ‘ « .
tester
eet)
Er, . jn - he 4 Ge
… a Ka K her
Ors rt
nt ie *
af 4 ee Er z de
hé
. on. He ie A & u 8 E ì î és Ne, Ta Cl bek pf RE h . hp, ah 3 res in rs A SA Ae ‚b end Ee EN A RN Led LES TL ú … ‚ ’ Ì km hd « ‘ is y el bet à 4 . Ke S : EN he eter We, K ere An en es 3 ed man MO hin, +1 ei 5 kn ig r Ree n ie Rl A - S KES Sn. Gr N, ai Ren N ks ht Ne SG . … KR vr, EN ARR, ie Kk eN IK: a, enen . « Pen aA zel EE ef NE . kh ° vega” B z , sdh AR RAR he Ee Nd NÀ NE Ee LE . _ Ak Een 24 hldk kh pr mtte, Mie et ed ip Mik eee ef OE s« ' des pe AAN NE) AES Ee, / Ki Je en hd ' ì \ Al MN 2 ERE tn hi hrs Re erat Ne Nn ì - Kb eN en ir ee AEN el Pe es & ne nt me de Ra Ì ad N at Ege fap ì » . . ee ee LS re dte Nr 4 9 rare ke shr A Em ke R gr be hs ern hd A “RS . aes Ees 3“ er SN re ! 4e Y Ee he ea Drorses Î ha nis Be er % enn, Re Dh u N en skien PASEN: Un EEE Dn Ee a a Leen), Ni es end od NG EDE ENE NEE Ad j PnP ke, een à kre held en ki, ed E le  Ne Ke Pi bin Gh CA OP te Ten Snes NP q x ‘ EN helt € Ale) Ste Pon Deer eN tE oe . - « - Kh pn „ Dn dn \ ° É EN. rë ene a - î » . he er At U 5 , mA VE 6 kT En “ar hea. S EE en Je vit ad OR Kr Nn NGR d kn 4 1 Ney ka Pile ' et En hd M en a, ek FER hd ' - . EN N sl en, p . ni EM . ï pie - . a | 8 «, a * « ak … n Rek DEEP Ae k E . 6 ve WES al 45 Riet 3 ket ie dh 4, Ì { ’ XN nas Sbn eN | É een, De te IE AAN CS mi a EN IETS EE matie AEN 3 " Kaf NN 4 een, ed wi 2: Ô x Ie Kr Wii ere was : \ ° A R ” wis el Kn Od Oasis of ee ns N ‚Ne ‘ 4 ie ne 4e & . : kn . tn } le hi Y & in Nie! 16 LG hi , be Met Nette te : : NN . \ . es & OP edn tn te Bn FIER) ) « En dk U OG ob NR, it - 6 Ne , Meters” id < Ge TE bp j AE ern er 1 N ej Sf Á AAE Ed eee OW . frans! k, gm, nd E 8 En k EEL Ì : rj . des ie Á hl » en el bn Tr ad - t ur Re AR id» ek \ ede TE, niatie’ he P a hi Ae Kek ke Kd t hat ha ne dt PN a KA On te mn, hin AS AAP ah 5 Raes ben ee an | Le vj LS h P ï î is á El En ® Ll p ì Asis Eph ed Risk tiin leste % . _ LE e Rh H 4 det) v dnf e dE SR LAANKENS LGA velbErL Sscoists
0876 9033 |
… en Gn er |
war de fel
ed 3 à Tuk
Dioitzed by Google
Digitized by Google
| IE
1 ae LANDSG, LELEALNDE
ONDER REDACTIE VAN
“es
Sen
Dr. H. E. MOL TZER,
Hoogleeraar te Utrecht
EN
Dr. JAN TE WINKEL,
Praeceptor aan het Gymnasium te (rroningen.
mA
id eeen
MIDDELNEDERLANDSCHE
EPISCHE FRAGMENTEN,
MET AANTEEKENINGEN UITGEGEVEN DOOR
D.G. KALEF.
(ear a)
entneeenveeetancartententdsentensssevsevscnvevacernsnTnersenenresntensr severe danser enetaers se veenensvvensaarvennerve
TE GRONINGEN BIJ.J. B. WOLTERS. 1885.
teevenvereneesvereveveseevevevesven.e
maavvneeveenevee.
4%
INLEIDING.
Het doel, dat ik beoog met het uitgeven dezer »Epische Fragmenten „” is het vergemakkelijken van de studie onzer Middelnederlandsche epische poëzie.
De epische gedichten toch, die die gedeeltelijk voor ons bewaard zijn gebleven, staan veer in allerlei tijdschriften en slechts enkele werden afzonderlijk uitgegeven. Aan velen, vooral onder de jongere vak- genooten, zijn sommige dezer fragmenten slechts bij name bekend en hoe weinigen bezitten alle tijdschriften of verzamelwerken, waarin deze gedichten zijn opgenomen. Ik heb dus gemeend, geen onnut werk t verrichten „met eene nieuwe uitgave van een aantal onzer Middelneder landsche epische fragmenten. Dat ik uit het vrij groote aantal daarvau eene keuze heb moeten doen, zal duidelijk zijn voor ieder, die nagaat, welke fragmenten ons zijn overgebleven. En
De volgende lijst kan daarvan een denkbeeld verschaffen. £ _*
1. Aron. Nieuwe en reeds bekende fragmenten uitgegevsn door Prar J. Verdam in: Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterk’inde 2e ;
209—287. of 2. AUBRI DE BoRGENGOEN. ki Ns Gn 3. VAN DEN BerE Wr=SsSELAU. * Je
4, BEERTE METTEN BREDEN VOETEN Dit itgegeven door Prof. H. : in de Aanteekeningen op zijne. Wigave van: FLoris ENDE AEN (Bibl. van Middelned. bert. -23e Afl) blz. 131—145. <5. Door pe MAYENcE* 6. Franprijs. Uitgegeven door Dr. Joh. Franck (Strassburg, Karl. J. Trübner. London, Trübner & Co. 1876) in: Quellen u. Forschungen etc. herausgeg. von B. ten Brink etc. XVIIL. 7. Frovenr.* i 3. GERAERT VAN VIANE. * €, Huee van Borpeeus. *
‘aó wordt zij: © :. « © v- 8971 genoemd: „Baerte hietsi metten breden _” de fragm. h
10. Cassamvs. Uitgegeven door Dr. E. Verwijs in de Bibl. van Middelned. Lett. 2e Afl. (1869). Ben ander fragment door A. Willems in Taal- en Letterbode II, 158—166. *
11. Lancevor. Uitgeg. door Prof. M. de Vries in: Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterk. 3e Jaarg. Een ander fragment in Vad. Mus. IV 309323.
12. Lrurorcr. Uitgeg. door Prof. M. de Vries. Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterk. 3e Jaarg. a
“13. Lovnrer. EN MararRrt. * 6) 14. LoRREINEN (LATDOEN). *
15. Marreis. Uitgeg. door Prof. J. Verdam in Taal- en Letterbode VI, 113—148. |
16. Merijn. Nederlandsch Museum, 1880. Uitgeg. door K. Stallaert. (Fragment van 338 verzen; vs. 1—326 — vs. 25275-25508 der uit- gave van Dr. Van Vloten — het verschil van 2 versregels steekt hierin, dat S. het opschrift van een hoofdstuk medetelt, dat niet in Van Vloten’s “itgave is opgenomen : »Hort hier tusschen den coninc Ban den strijt // Ende tusschen Claudase dies droech ‘nijt” vs. 327—332 — vs. 26124— 26129 ler uitgave van Dr. Van Vloten; vs. 333—338 == vs. 2607026075). N. NEVvELINGEN- Lazen. n
18. OcreR vAN ARDENNEN. Taal- en Letterbode VI, 241—267.
19. PgrHonoPeus vaN Boys!) Uitgegeven door J. H. Bormans.
| et fragmx, door Dr. E. Verwijs in Hand. en Meded. Mö. v. Ned. Let 1872, Ea ‘cENOUT WAN MonrarBarN. Uitgeg. door Dr. J. C. Matthes in: Bibl. vo. Lett. 15e,Af. 1875. |
)
“tt KTDDER Merten ZWANE. * pe <7 LN COELANDS-Lep. * > En : ARLEMENT VAN Troy? door Prof. J. H. Gallée in: Tijdschr. voor Ned. Taal- en Lett. 2e Jaarg. _ |
24. VALENTIJN EN NAMELOOS.* {S= 5, 25. WILLEM vAN ORINGEN. * “s 26. GwmeKinN (WITTEKINT) VAN SASSEN. *
Alle fragmenten in deze verzameling op te nemen, ZOU, van mijn standpunt beschouwd, onnoodig en verkeerd zijn; onnoodig — omdat verscheidene fragmenten als die van Aiol, Flandrijs, Cassamus, Lancelot,
F A\
1) Reeds was het laatste vel van dit boek gedrukt, toen mij een nieuw Parthonopeus- fragment onder de oogen kwam. Het werd uitgegeven door W. Seelmann in h: „Jahrbuch des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung. Jahrgang 1885 XI. Norden und Leipzig 1886.” p. 170 — 171. Dit fre « … … «> t= … 6161 der uitgave van Bormans en daaronder een twintigtal1 — — « tc Kk bekende regels.
"De
Limborch, Malegis, Ogier van Ardennen, Renout van Montalbaen reeds beter zijn wtgegeven, dan ik het zou kunnen doen en verkeerd — omdat sommige fragmenten zooals die van Parthonopeus, Cassamus, Renout van Montalbaen op zich zelf reeds een boekdeel vullen en aan mijne verza- meling een onnoodig grooten omvang zouden hebben gegeven. Ik heb-dus uit de 26 genoemde fragmenten: eene keuze Bn en de veertien door mij met * aangewezene opgenomen.
Uitgesloten heb ik de fragmenten, die in een ie: latere tijdschriften (Taal- en Letterbode, Tijdschrift voor Ned. T. en L.) of afzonderlijk zijn uitgegeven, zoodat zij voor de meesten gemakkelijk bereikbaar zijn; daar- onder rangschik ik de fragmenten van Aiol, Flandrijs, Cassamus, Lan- celot, Lamboreh, Malegys, Ogier van Ardennen, Parthonopeus van Bloys, Renout van Montalbaen, Parlement van Troyen. Opgenomen daarentegen heb ik diegene, welke in een der vroegere tijdschriften zijn opgenomen en moeilijker te verkrijgen zijn of waarvan de uitgave m. i. te wenschen overliet door het gemis aan eene behoorlijke inleiding als anderszins; zoo b.v. de fragmenten van Aubri de Borgengoen, Van den Bere Wisselau, Doon de Mayence, Flovent, Geraert van Viane, Gwidekijn van Sassen, Huge van Bordeeus, Lorreinen (Latdoen), Nevelingen-Lied, sdi en Nameloos, Willem van Oringen.
Den Pidder metten Zwane nam ik op, ofschoon dit fragment in de Taal- en Letterbode voorkomt, omdat het tot dusver niet bekend was, tot welk gedicht dit fragment behoorde en het nu dus in een geheel ander licht verschijnt. En »Loyhier en Malaert’’ werden hier voor het eerst verscheidene, gedeeltelijk onuitgegeven, fragmenten tot een geheel ver- eenigd. Het Roelandslied onderging eene geheele verandering en wer daarom hier opgenomen, hoewel het afzonderlijk is uitgegeven. Nie: opgenomen heb ik een klein fragment, dat te vinden is in het Bel: Museum, IX, 218, omdat ik geen voldoenden grond heb, om dit stuk;e onder de voortbrengselen der epische poëz: te rangschikken; ik vermeid _
het slechts om der wille van de volledi: : “er de wijze, waarop ik ben te werk gegaan bij het uitgeven …» .n”:"en nog het volgende: Overal heb ik getracht een zoo zi: co: iijn tekst te geven; niet overal kon ik daarbij den gedruk’ … +. : « “ser-ijken met een handschrift. Meer dan eens kon ik niet ont”. *… — _… «r zich tegenwoordig het hand- schrift, bev’ **, da ten gror.s:: hk « viegen aan de uitgave van een der fragr:. ‘dere wa n «1 … «1. sid (te Berlijn, Brussel, Weenen, NOUrop eer art et er”; et groote aantal gedichten; die ik Bier on eo vergelijking met het hs. Echter heb
Leu | an te doen, Het …… <n het fragment
van „fubre de Borgengoen, dat zich te Leiden bevindt en dat van Loyhier en Malaert, dat gedeeltelijk te Leiden, gedeeltelijk in het bezit van Prof. Verdam is, werd door mij met de gedrukte teksten vergelekens!). Boven- dien stelde een artikel van Prof. Moltzer (zie bl. 154) mij in staat, eenige verkeerde lezingen te herstellen in de hs. van den Geraert van Viane en en van den Valentijn en Nameloos, die door hem met de uitgegeven teksten werden vergeleken. Nog eene opheldering ben ik schuldig aan- gaande het Roelandsiied. Tot dusverre verschenen de verschillende frag- ' menten van dit gedicht afzonderlijk. Daar ik slechts aan ééne Mnl. vertaling van het FraÂsche origineel geloof, heb ik hier uit de verschillende deelen én geheel samengesteld. De gronden voor deze beschouwing en de wijze, waarop ik bij de samenstelling te werk ben gegaan, vindt men aangegeven in de inleiding van het Roelandslied en de aanteekeningen onder den tekst. . Bij elk fragment voegde ik eene inleiding, om den lezer, voor zooveel mij mogelijk was, op de hoogte te brengen van de plaats, welke het gedicht bekleedt in de Geschiedenis der Letterkunde. Uitvoerige Glossaria zijn tegenwoordig minder noodig dan vroeger — moge het ras voort- gaande Mnl. woordenboek ze al minder en minder noodig maken. Echter heb ik in eene woordenlijst de merkwaardige woorden in onze [razmenten voorkomende vermeld; zoowel die, welke in de aanteekeningen verklaard zijn als eenige, waarvan ik de beteekenis niet ken. Alle eenigszins. belangrijke eigennamen heb ik in eene lijst samengebracht; hij de studie der Epische poëzie, ook bij het onderzoeken van gedichten of fragmenten, die men niet kan thuis brengen, zijn de eigennamen dikwijls van groot nut. | van dit werk veel ontbreekt — niemand is er meer van overtuigd zelf. Echter hoop ik, dat de studie onzer epische poëzie er door ukkelijkt zal worden en dat het anderen moge opwekken, daaraan krachten te besteden. nag niet eindigen zonder mijnen hartelijken dank te betuigen aan Prof. Verdam. Met mij ontwierp hij het plan tot deze uitgave en dikwijls stond hij mij bij met zijne uitgebreide kennis van het Middelnederlandsch. Ook bij de inrichting van het geheele werk en het nazien der proeven verleende hij mij zijne hulp. Mocht ik hem door de uitgave dezer tot nu te zoo verspreide fragmenten van eenigen dienst zijn bij het volbrengen ver grootsche taak, waaraan hij een deel van zijn leven wijdt, dan zou mij dat eene aangename voldoening zijn. AMSTERDAM, 12 Augustus 1886. G. KALFF.
le nog niet uitgegeven stukjes van het hs, dat deu Legfeer en Auld ver, Beb ik aangeduid met den naam: (Matthes).
HET NEVELINGEN-LIED,
In 1855 opende Serrure het eerste deel van zijn Vaderlandsch Museum met eene nieuwe uitgave der twee fragmenten van het Nevelingen-lied. Het eerste was reeds verscheidene malen uitgegeven, zooals b.v. door Mone, V. d. Hagen, Meyer e.a; het tweede werd hier voor de eerste maal gedrukt !). Wat het hs. zelf betreft, zoo deelt Serrure ons mede: „De Codex, waeruit die blaedjens gerukt zijn, was in octavo formaet en in de tweede helft der 13de eeuw door eene goede, zeer leesbare hand, geschreven. Elk blad bevatte zes-en-dertig verzen aen iedere zijde en tusschen elken regel is er een lijn getrokken, even als in het St. Galler handschrift van het duitsche Nibelungen-lied. De strofen zijn niet afge- __ deeld, maer de rust of caesuer van elk vers door eenen punt aangeduid.” 8) Over den inhoud zullen wij wel niet behoeven te spreken; inhoudsopgaven vindt men o.a. bij Serrure en in Jonckbloet’s Gesch. der Ned. Lett. (3e dr.) Middeleeuwen I, 147—156.
Onze fragmenten behelzen een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure. Het is mij niet gelukt te ontdekken, naar welke redactie van het epos onze vertaling is bewerkt; dit schijnt mij trouwens niet wel mogelijk, indien men slechts 144 verzen ter vergelijking heeft. Maar ook zonder dat kan men door vergelijking met den zoogenaamden „gemee- nen tekst’ 5) zich althans in hoofdzaak eene meening vormen omtrent de wijze, waarop de vertaler zich van zijne taak gekweten heeft. Veel - lof kan hem daarvoor niet worden gegeven. Hij begreep het origineel maar ten deele en waar hij den zin wel vatte, is zijne vertaling vrij onbeholpen en stijf. Dikwijls bedient hij zich van stopwoorden of onbe-
1) Later daaruit overgenomen in Germania I, 213—217. 2) T. a. p., bl. 23. 3) Het St-Galler Hs. uitgeg. door E.H, v. d. Hagen. Breslau. IS2n,
2 1. NEVELINGEN.
teekenende invoegsels, die niet in het origineel gevonden worden; ik
wijs b. v. op I, vs. 18: „secghic u sonder waen”’; vs. 20: „hine maket-
niet lanc”’; vs. 34: „dies was hi wel blide”; vs. 37: „gewaerliker dinc”; II, vs. 16: „dat secgic u te waren’; vs. 34: „Die mord seid si hen op, dat doe ie u verstaen’’; vs. 39: „dat doe ic u verstaen’’: Dat de vertaler het Duitsch niet altijd begreep, blijkt b.v. uit I, vs. 5 der Mnl. bewerking. Wij vinden daar nl. den regel:
bede de do wart vil lute ein horn einer stunt geblasen .
weergegeven door:
ek doe wart lude een horen voer sine tente geblasen .
De Nederlandsche bewerker verhaalt, dat Zegevrijt een boog had, die „met huden overtogen was” (vs. 39—40); in het Duitsch wordt dit van den púlkoker gezegd en dat is dan ook wel zoo waarschijnlijk (vs. 3824—3826):
hei, waz er richer borten an sinem chochaere truoch ! von einem pantel | was dar-uber gezogen EE: Dr: ë ein’ hut, durch die suze; ouch furt er einen bogen,
De kleeding van Siegfried is rijk en wordt vrij uitvoerig beschreven ; die van Zegevrijt bestaat slechts uit „enen roc van swarten cordewane’’, dien hij „boven alle gine cledre” draagt. De Nederlandsche bewerker
vermeldt in het geheel niet het beroemde zwaard Balmung (Palmunc),
waaraan het Duitsch eene afzonderlijke strofe wijdt.
Tusschen I, vs. 72 en II, vs. 1 (het eind van het eerste en den aan- vang van het tweede fragment) zijn eenige verzen weggevallen, die beantwoordden aan vs. 3869—4160 van den „gemeenen tekst’ en waarin de moord op Siegfried, Chrimhilde’s weeklachten enz. verhaald worden. De trek, dat Chrimhilde niet kan besluiten den geliefden man te laten begraven, toen men het lijk van de baar hief (vs. 4215), is door den Nederlandschen bewerker weggelaten. In II, vs. 69—72 daarentegen is een trek toegevoegd: in het Duitsch blijven papen en monniken met het overige „gezinde” bij het lijk (vs. 4241—4244):
Zen herbergen giengen die liute vander stat. pfaffen unde munche si beliben bat
und allez sin gesinde das ez des heldes pflach: sì heten naht vil arge unt vil mûlichen tach.
In de Nederlandsche vertaling is dit geworden :
ln
An
1. NEVELINGEN. 3
Doe ghingen alle wege die portren van der stat. Papen ende moenke Si bleven daer om dat Dat si lasen ende songen ende baden onsen Here Dat hi die siele ontfinge duer siere moeder ere.
Men ziet, hoezeer het geestelijk element versterkt is; hadden wij meer van de vertaling over, en waren er meer zulke plaatsen aan te wijzen, dan
zou het vermoeden, dat een geestelijke de bewerker is, eenige zekerheid
kunnen verkrijgen.
Ten slotte wijs ik nog op eene plaats uit de Betatsohie Yeesten, die schijnt aan te wijzen, dat toen (in de eerste helft der 14de eeuw) de Nevelingen nog niet geheel vergeten waren. In'een door Willems gepubliceerd fragment der Brabantsche Yeesten lezen wij:
… Dat te Loven woonde een man, Die waer so utermaten groot, Ende so sterc, dat sijns genoot Niewer en waer, teenigher stede: Ie segghe u wel die waerhede: Hi soude wel eenen beere binden !).
Het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Jan Boendale bij deze vergelijking aan Zegevrijt heeft gedacht; die den beer naar welgevallen bindt en ontbindt (vgl. I, vs. 25—26, vs. 53). Geernòut en Wigselau kunnen hem echter ook voor den geest hebben gestaan.
EERSTE FRAGMENT.
LA.1 Daer was gereet die spise vele ende diere genoech. Ay, wat men al wiltbraets ter cokenen wert droech. Gunther hiet doe tekenen den iageren uitvercoren Dat hi ontbiten woude; doe wart lude een horen
5 Voer sine tente geblasen: _ dat was sine orconde,
Dat men dien selven coninc ter herbergen vonde, Il, Zegevryts iagere seide: „Ie hebbe vernomen Bi tblasen van den horne, dat wi souden comen Ter herbergen sciere; dat doe ie u verstaen…”
10 Hs blies met sinen horne ende antwerdde saen.
MN Par Ais. I, 28.
1*
EN
15
20
25
30
35
IB.
Ì. NEVELINGEN.
Doe sprac die here Zegevrijt: Einde hi reet haestelike ; Stoerde in sinen wege
Het was een starc bere.
„Wi selen goet spel hebben „ie sie enen bere.
‚Met ons sal die bere
„soe wine vaen ende binden
Die hont wart ontbonden, Ende saen soe reet Zegevrijt; Die bere liep in een broec. Hi ware voer den iagere
Doe viel van sinen perde ?) Hi vloe na wel sere. Hine conste niet geloepen, Sonder enege wonde
Alsoe dat hine conste
Doe sat hi op sijn ors gaen Hi voerdene den coninc Omme blide te makene
Ay, hoe blidelike
Groet soe was sijn gere, Een diere swert soe had hi Die horen was van goude,
Van betren iagecledren
Enen roc van ziden
Ende enen hoet van sabele, Het was een diert) goutboert
„Wi selen rumen dwout!” die here coene ende bout een dier gremmelijc *):
Doe sprac die coninc rijc:
nu te derre stont; Nu laet den spoerhont ! ter herbergen gaen,
secghic u sonder waen”’
die bere voert spranc, hine maket niet lanc. Het moeste alsoe wesen ! gerne doe genesen.
die selve iagere goet. De bere waes onbehoedt; Hi vinkene metter hant, hine wel vaste bant,
comen te gere) were.
ende leide voer hem dien bere. duer sine overmoet,
sine gesellen goet.
die coene degen reet! lane ende daertoe breet; gegort ane sine side; dies was hi wel blide.
en noerde noit man sagen, mochte men hem sien dragen, gewaerliker dinc!
daer die horen ane hinc!
1) Het St-Galler hs. (uitgave van v. d. Hagen, Breslau, 1820) heeft: grivvelich ; de andere echter: gremelich, grymeclich (en gemehelich).
2) Vallen moet hier de bet. hebben van; zich werpen; zooals men ook in het Mnl.
zeide: „in een scip vallen”, voor: zich in een schip werpen. Vgl. Oudemans 1. v.
8) Hs. ter gere. 4) Het | kunnen leze:
elijk die. Ik acht dier beter dt. …_h heeft dan ook: „„richer (guter)
ook zou
40
"45
50
55
60
65
10
EL. NEVELINGEN.
ed Endé enen hornen boge Met huden overtogen, En constene gespannen
En ware met gewerke,
Boven alle sine cledre Wel gemaect na heme Sint ic u die waerheit Soe voerde hi eenen koker
Van harden stale gemaect Wat hière mede geraecte, Rechte alse een iagere Het sagenne doe comen
Sie liepen iegen heme Wel den coenen here: Hie beette van den orse, Entie honde liepen —
Die bere woude ten woude Doe vloe uten wege
Die bere van den lieden Doe vloe van dez!) bere
Hi warp over rucge Scotelen ende teilen,
Doe spranc op met haesten Die bere liep doe sere.
Dat men ontbonde die honde, Die iageren waren blide,
Met bogen ende met sprieten Die den bere volghden,
Daer waren soe vele honde, Die liede ende die honde Die bere vloe wel sere
Doe seide daer wel menech:
„Dine mochte meistren - Zegevrijt hi vinckene
I) Hs. de.
hadde hi oec an heme, alse iageren geteme. anders en geen man, hi en waert selve dan.
hadde hi enen roc àne, van swarten cordewane. al besceden moet, al vol strale goet,
vier groete vingre breet; dat bleef doet gereet.
Zegevrijt, die helt, reet. des coninx helde gemeet.
ende ontfingen doe daer was menech vroe. den bere ‘hi ontbant , na den bere te hant.
daer hijt voer hem sach. ele al dat hi mach.
duer die cokene ran.
die coc ende menech man.
wat dat hi daer vant, die spise darin te hant. Guntheer daer hi gat; Hoert, wies hi doe bat:
daer si gebonden lagen. doe sì dat gesagen. was daer menech doe, daer hi henen vloe.
dat niemen daer ne scoct, maecten geruchte groet.
wat hi geloepen can.
„Het ware een crachtech max
ende weder vaen…”’ ende doeddene wel saen.
6 IL. _NEVELINGEN. |
TWEEDE FRAGMENT.
IL. A. S% clagede metten gasten *) want hem was harde leit,
10
15
20
Daer en hadde hem *) nieman Doer wat die edel here Doe weende met Crimelden
S1 dade smede halen
Van selvre ende van goude, Doe dademenne 5) spalken 4) Doe was daer wel menech, , Die nacht was vergangen Doe hiet die edele vrouwe Zegevrite den doeden,
Ay, wat men @ vrouwen
Doe men brachte ter kerken Songen alle die papen
Doe quam die coninc Guntheer Ende Hagene quam met heme,
Die conine seide: „Suster,
Dat ie dus hebbe verloren
„Du ne doerftene®) niet clagen „” „Haddt gewilt, broeder,
Nu?) is mijn welvaren
Daer bi sal men die waerheit Dat es een groet wonder, Daermen den barsculdegen
die rechte mare geseit, verloren heft sijn lijf. menechs porters wijf.
ende werken enen sarc mekel ende starc;
met hardden stale goet. die hadde droeven moet.
ende het begonste dagen. in die kerke dragen
den here van Nederland. doe daer droeve vand!
Zegevrite dien here, utermaten sere.
daer ten like 5) gevaren dat secgic u te waren.
ie mach wel drueve sijn, den lieyen swager mijn.” sprac dat edel wijf,
hi hadde behouden dlijf!
voerwert meer gedaen !”’ harde wel verstaen: doch eest dicke gesciet, bi den doeden siet,
1) Serrure: geeste. Heremans veranderde dit te recht in gasten naar den Duitschen tekst: („Si chlageten mit den gasten”, V. d. Hagen) vs. 4161.
2) Het hs.: hen.
3) Serrure leest: ende dademenne, dat m.i. geen goeden zin geeft.
4) In V. d. Hagens uitgave der Nib. (vs. 4167): „man hiez in vaste spengen mit stahel, daz was guot”; dus: met stalen banden beslagen. In het Hohen-Ems-Münch.
hs.:
kad „vaste spangen”.
5) Serrure: enlike. Deze emendatie is van Heremans. Het Duitsch kan hier niet vergeleken worden; daar leest men nl.: „Zuo dem wuffe”, dat blijkbaar door den vertaler niet werd begrepen. EE
6) Door H. aldus verbeterd uit het doerstene van Serrure.
7) Serrure leest: Soe. Maar dit zou alleen passen, indien (wat hier niet het geval is) eene gevolgtrekking volgde. |
det Aer, iet d en Tove aire
/ Í )
I. NEVELINGEN.
25 Soe bloedt hi harde sere. Dat!) Hagene wardt besculdecht , Die wonde bloedde doe,
Doe mochtemen daer scouwen
Doe sprac die coninc Guntheer: 30 Het ®) versloegene gcakeren,
Doe antwerdde Crimeit:
God latene noch gewreken
Guntheer ende Hagene ___Die mord seid si hen op, 35 Si doeghde in hare 5) herte Doe quamen dese twee heren
. B. Geernoet haer broeder Om Zegevrite weenden, Si waren beide drueve, 40 Doe begonste men misse
Geernoet ende Grhiseleer „Nu getroest u selven
„Wi willen u sijn gehelpech Hare en conste niemen
45 Sijn sarc was gereet Men hieffene van der baren, In enen dieren pellen Daer was menech droeve,
Oec was harde drueve 50 Om Zegevrite den here
Alsi dat vernamen,
Ende men offren soude,
Ay! wat men al offranden. Voer des heren ziele!
55 Crimelt, die vrouwe, „Ie moet duer sine siele
Op den selven dach
doe hi den here an gach, alsi dede eer.
een ongenoege seer.
„Ie wilt u doen verstaen, hine heves niet gedaen.” „Het es mi wel becant; siere vriende hant.
ghi hebbet beide gedaen!” dat doe ic u yerstacn. harde groete noet.
daer sine vonden doet.
ende Ghiseleer dat kint; den here wel gemint. dat doe ic u verstaen. voer die ziele saen.
geiden: „Suster mijn, edel vrouwe fijn !
die wile dat wi leven.” troest genoech gegeven !
doe omtrent middach,
daer hi doe op lach;
dat men den doeden want; doe ie u becant.
Ute, die edele vrouwe; hadsi groeten rouwe.
dat men misse sanc | wardt daer groet bedranc. 5 -
doe ten outare droech hi hadde eren genoech ! tote ere maget sprac: dogen groet ongemac,
1) Liever zou ik om der wille van de constructie lezen: „/ler Hlagene enz.” 2) Serrure: „Hem verslongene”, door Heremans te recht in Met v. veranderd. 3) Het hs. heeft duidelijk …- | s in vs. 44.
IL. NEVELINGEN,
„Ende wille voer hefn deilen
„Oee willie siere zielen
Meer dan hondert messen 60 Doe was in die kerke
Doe misse was gesongen, Te Zegevrijts vrienden: Maer helpen mi wachten In verblide nemmermeer !”’
65 „Drie dage ende drie nachte „Ende ic saelt bescouwen „Hier binnen gal mi comen, „soe waric verledecht
Doe ghingen alle wege
70 Papen ende moenke, * Dat si lasen ende songen Dat hi die siele ontfinge
doen mijn roede goud; altoes wesen hout.”
men daer dies daeghes sanc. harde groet bedranc.
sprac ver Crimelt saen „Ghine selt niet henen gaen, den lieven here mijn.
sprac die vrouwe fijn.
selen wi wachten dlije, elker dagelijc.
ocht God wilt, die doet! van wel groeter noet!”
die portren vander stat. sì bleven daer om dat. ende baden onsen Here, duer siere moeder ere.
IT.
VAN DEN BERE WISSELAI,
Serrure gaf dit fragment voor het eerst in zijn geheel uit in het Vaderlandsch Museum (II, 253—284). Daar gaf hij ook eene uitvoerige beschrijving van het handschrift, dat uit de eerste helft der 14de eeuw dateert en tevens het een en ander omtrent het gedicht zelf. IK Taat hier het overzicht voorafgaan, dat Prof. Jonckbloet er van geeft, om hetgeen _ daarna volgen zal, duidelijker te maken !):
„Koning Karel is met zijn gevolg in het land van den reuzenkoning Espriaen gedrongen, dien hij noodzaakt hem op zijne burcht te ontvangen. De overwinning is hem hoofdzakelijk bezorgd door Wislau, den beer, een monster, dat aan zekeren Geernout, die het ten onder gebracht had, gehoorzaamt. Om den reuzen schrik in te boezemen, gelast deze den beer, met wien hij in eene onbekende taal „in de gargoensche tale” spreekt, om zoodra zij in het kasteel zijn, Espriaan’s kok in den zie- denden soepketel te werpen, dan den ketel in de eetzaal te brengen en ten aanzien van allen de verbrande overblijfselen van den kok op te peuzelen. Dat dit de reuzen met schrik vervult, zal men begrijpen. Om hun ook ontzag in te prenten voor zijne makkers, die zij als dwergen
heschouwen en minachten, begon Geernout een worstelstrijd met den
beer, dien hij echter vooraf gelast had zich te laten overwinnen, zooals Kn geschiedde.” ‚Serrure en vóór hem Mone wezen er reeds op, dat de namen Espriaen
en Geernout ons aan de Duitsche heldensage herinneren. De bekende dichter en geleerde Ludwig U Uhland heeft eenige jaren later het Middel- nederlandsche gedicht besproken in in eene uitvoerige beschouwing van den „Rosengarten von Worms’), en aan dat stuk zal ik het een en ander ontleenen. Ee
1) Gesch. der Ned. Lett., I, 162 (3de uitg.).
2) Vgl. Germania, VI, 307 vlgg.
„TT
zer
di II. BERE WISSELAU.
Espriaan of Aspriaan, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoe - is een ontzagwekkende reus, díe o.a. ook in het gedicht van Kc, Rother voorkomt als koning “ ah het verre reuzenland 1), In eene Noo: # sage bevindt hij zich onder het gevolg van koning Osantrix, die naar de hand eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie broeders: Widolf „mit der Stange”, Atgeir en Aventrod. Widolf (elders Widolt) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid als een geboeide leeuw ‘aan een keten medegevoerd; want laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen.
Een deel dezer sage nu kan als tegenhanger van het Middelnederlandsche fragment dienen: „Widga, Thidriks strijdgenoot in een gevecht van den held van Bern en Attila tegen koning Osantrix, is door Widolf's stang neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen Wildifer, een ander strijder van Thidrik, en Isung, diens voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list te bevrijden. Wildifer laat zich in eene berenhuid naaien en wo: - zoo door zijn gezel bij den halsband geleid. In ’s konings hof aan komen, slaat Igsung meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en hup; … zijn beer, dien hij Vivleo (Wisselau) noemt, tot verbazing van all Osantrix wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; «- eene schoone vlakte worden in tegenwoordigheid eener groote men’ zestig groote jachthonden op Wizleo losgelaten. De koning is ook a: wezig, vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de gebo: *. Widolf bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ‘Abentrod. De l grijpt den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste hon: +: dood. Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los -r brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklicft de berent: « :
maar stuit af op de „bronie” daaronder. Als Osantrix dan naar de zij *.
wil terugkeeren, rukt Wildifer zijn zwaard uit de handen van den speeln.… loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. ‚Ook tegen de ret: Aventrod en Widolf keert hij zich en verslaat hen. Widga wordt bev :
en keert terug tot Thidrik.”
Uhland legt dan verder uit, dat dit berengevecht eigenlijk thuis h> - in de optochten, welke bij de lentefeesten gehouden werden; de ontwa '‘: : beer, de bode van den zomer, behaalde dan de zege op den winten Voor ons doel is deze uiteenzetting echter minder noodig en wij ke dus tot het Nederlandsche gedicht terug.
Met Prof. Jonckbloet geloof ik, dat het een oorspronkelijk wer] al heeft de dichter misschien niet veel meer gedaan dan samenvoe - wat hem uit Duitsche liederen en andere gedichten bekend was gewo.
Reeds Serrure merkte op, dat het tooneel in den Wisselau ons ee”
zins aan het verhaal van de berenvangst uit het Nibelungenlied herin . …”
1) Vgl overigens: Die Deutsche Heldensage, *
|
II. BERE WISSELAT. 11
En dat is ook zoo. Immers ook Siegfried bindt en ontbindt den beer naar
‚ori \gevallen, evenals Geernout dat doet, oek daar loopt het dier in de
|
keuken en jaagt (evenals Wisselau op Espri:>n’s burcht) alles op de vlucht:
Die bere van den lieden duer die cokene ran.
Doe vloe van den bere die coc ende „menich man. Hi warp over rucge wat dat hi daer vant, Scotelen ende teilen __die spisen daerin te hant !).
En de. houding van Gunther in de Nederlandsche vertaling herinnert aan die van Hspriaen :
Doe spranc 5 op met haesten Guntheer daer hi sat,
Die bere liep doe sere, hoert, wies hi doe bat: Dat men ontbonde die honde daer si gebonden lagen.
Dat men in de 13de eeuw hier te lande eenigszins bekend moet zijn „geweest met de Duitsche “heidensage, ‘blijkt ook nog uit eene plaats in _ den St. Servaes ) die waarschijnlijk „lang vóórdat het eerste Vlaamsche - ‘gedicht het licht zag” in Limburg werd vertaald (nl. vóór 1170)®). Men
leest daar nl. (2, 115):
Soe mocht dich wale myne gheysel slaen Sprach Attila die Bodelinghes son 9).
En zoo wordt in de Mneit gewag gemaakt van het zwaard Miminc *). \Maerlant vermeldt Diederik van Bern en in het gedicht „Van vier heeren wenschen”’, dat niet zoo heel veel later dan de vertaling van het Nibe- lungen-lied kan worden gesteld en dus waarschijnlijk tot de 13de eeuw moet worden gebracht, treden vier hoofdpersonen uit het Duitsche epos op: Hagen, Gunther, Geernout en Rudegeer. Hagen wenscht zich bij die gelegenheid „Scimminc ende Mimminc’’, het ros en het zwaard van den in de Duitsche heldensage dikwijls voorkomenden held Wittich, die ook in den „Rosengarten’” onder de gezellen van Diderik van Bern genoemd wordt. Deze Wittich wordt nog in den aanvang der 14âe eeuw in den roman van Limborch genoemd. Wij lezen daar: |
Morant scoet op al met overmoede Einde seide: „du daets alse de vroede E Dattu names mi miin swerd, Dat menegher marc es wert; Het smeede Wilant Ende es Mimminc ghenant, Het voerde Wedege die coene. 1) Vgl. Nevel. Lied, I, 29. 2) Gesch. der Ned. Lett. I, 137
‚3) In: Müllenhoff's Zeugnisse und Excurse zur Deutschen Heldensage XXVII (Z. f. d. A. XII, 362). Bodeling (Botelung) is de naam van Attila's vader. Zie:
TN. Vatan TT alan nn nen la 33
12 , II. BERE WISSELAU. ze Terecht merkt V.d. Bergh op, dat de Nederlandsche vorm van den naam Wedege (Wittich, Wettige, Wetige) er op wijst, dat er eene Nederlandsche bewerking der sage bestaan heeft, waarin de held aldus genoemd wordt. Al is de oogst van bewijsplaatsen schaarsch, het is toch niet te loochenen, dat de Duitsche heldengage hier te lande in de 13de en 14de eeuw bekend was. Aan eene traditie van vroegere tijden, die in den mond des volks was blijven leven, moeten wij daarbij niet denken, maar eer aan eene van buiten aangebrachte kennis. Men kan zich, naar ik
‚meen, veilig neerleggen bij de zienswijze van Müllenhoff, die zegt, dat
„de bekendheid met de Duitsche heldensage in de Nederlanden over ’t
algemeen en ook bij Henrik (van Veldeke) …...….…. zeker niet voortkwam
B ed
uit inheemsche bronnen. Veeleer waren het (Neder)rijnsche en Neder- duitsche liederen, die zich nog in de 13e eeuw en later met andere volksliederen en Hoogduitsche gedichten daarheen verbreidden, evenals naar het Noorden.” Ik geloof dus wel, dat de dichter van ons fragment bekend was met een deel der Duitsche heldensage en daardoor opgewekt werd iets in dien trant te leveren. Met dat deel der heldensage heb ik het oog op gedichten als de Rosengarten en Laurin, die in de 13de en l4de eeuw en ook later in Duitschland zeer geliefd waren. Over den Rosengarten sprekende, zegt Scherer: „Das Gedicht strebt nach volks- thümlich drastischer und komischer Darstellung. Es lenkt in die ehemals verlassenen, von den niedrigen Spielleuten aber wohl unausgesetzt betretenen Bahnen des rohen Effectes wieder ein”) En Koberstein: „Einige (Dichtungen) …………. in welchen er selbst (Diederik van Bern) auftritt, sind als blosse Einkleidungen einzelner unabhängiger Volks- traditionen von Riesen und Zwergen in das Gewand dieses Kreises anzusehen, dem sie ursprünglich fremd gewesen zu sein scheinen: dahin gehören die Dichtungen von Laurin, Ecke und Siegenot”’®), Met zijne verhalen over reuzen en zijne ruw-komische tooneelen sluit de Wisselau zich wel aan bij dergelijke voortbrengselen der epische kunst. Ik vestig ook de aandacht hierop, dat het Mnl. gedicht geschreven is in eene versmaat, die sterk aan die van den Laurin herinnert: twee aan twee rijmende korte versregels, die dikwijls slechts drie heffingen tellen en welker lengte zeer ongelijk is®. Het komt mij derhalve’ waarschijnlijk
1) Ge ch. der D. L., bl. 128. 2) Grundriss etc, I, 138. 3) Men leze b.v. als een staaltje deze regels uit den Laurin (Z. f.d. A, XI, 501, vs. 9 vlgg ): Ore fromekeyth
Hye lebete gar an alle schande Schande und lastir waz on leyth Dy bestin in dem lande U wo su gesasssin
Dy warin alle under tan Wy selden sy vorgassin
Wan het waz eyn forste lobesam Sy pristen on vor alle man Und dy seynen dinstes phlegin Den edlen Bern lobesam.
Wy seldin sy vorlegin Do sprach sich Wetige Wylandes son etc.
IL. BERE WISSELAU. 13
‚- voor, dat het gedicht ontstaan is in het Oosten of Zuid-Oosten van ons land, waar men de meeste bekendheid met de Duitsche poëzie mag
verwachten. Ook uit de taal, waarin het geschreven is, zou ik dat opmaken. Woorden als: vresam (vs. 10, 619, 692) en vormen als: sè selen (vs. 249, 319, 325, 333 en pass); portenere (vs. 343); besteti dî (vs. 395); du ‘bist (vs. 508); alse of hi verwonnen were (vs. 569) en weren (3de pers. Plur.) vs. 575; sote vrient (vs. 63); gevodet || gehodet (vs. 581); evele mote di gescien (vs. 478); cone (vs. 533, 543); te mote (vs. 701) schijnen mij toe ook op het Oosten of Zuid-Oosten van ons land te wijzen (Brabant of Limburg). Het juiste tijdstip te bepalen, waarop ons gedicht werd geschreven, is onmogelijk, zoolang er niet meer van ontdekt is. Waarschijnlijk moet het tot de 13de eeuw gebracht worden, omdat Maerlant,
ed nanne
gelijk mên weet, „van bere Wiselauwe die snodelhede” vermeldt, met -
Prof. Jonckbloet geloof ik, dat het tot de oudste voortbrengselen onzer. letterkunde behoort, maar verder kan men vooralsnog niet gaan. De dichter is zeker geen ontwikkeld of geleerd man geweest, maar eer een volksdichter; zoowel de inhoud als de vorm van zijn gedicht geven aanleiding dat te veronderstellen. Men treft vrij wat assoneerende rijmen aan, als verwan || vresam (vs. 9—10); belgen || helden (vs. 262263); belane (?)' lant (vs. 416—417); ketel || lepel (vs. 443—444 en 462—463); coke || sope (vs. 468—469); rocke [| enoppe (vs. wepe man || vrèsam (vs. 618—619); of b.v. vier rijmwoorden als: staen || gaen || waen || Espriaen (vs. 53—56). Sommige tooneelen zijn schilderachtig, en hier en daar heeft
han mean
|
het fragment een zekere frischheid van 1 voorstelling en eene ruw-komische …
„kracht, die ons doen beffeuren er niet meer van over te hebben; hoewel men dit doet, kan men toch van oordeel zijn, dat Serrure overdrijft, als hij van „dat heerl ijk dichtstuk” spreekt. Jel
Eindelijk vestig ik nog de aandacht op vs. : „daer ic vormaels ave las”, eene uitdrukking, die betrekking schijnt te hebben op mondelinge voordracht.
Á. r®9, kol. 1. Wisselau balch seen moet, Datti op sine were scoet, Ende sloech met sinen clauen In sine ogebrauen,
5 Ende trac dattine velde; Onwerde dattine quelde. Hi liet hem leggen neder. Dese ne stont op weder. Doene Wisselau verwan, 10 Riep de rese vresam :
„Helpe, coninc Espriaen, Brenc hir alle dine man,
\ De duvel heten — bestaen,
Often iemen mach verslaen.
14 IL. BERE WISSELAU.
15 Blijfti lange in u lant, Gi sijt alle gescant, Mi heefti verslonden Nu tesen stonden ! Hi gelaet ofti hongerde sere!
20 Ay! die mi minen spere,
In de zee, so verre, ontdeet. God gevem leede gereet ! Waer mi mijn spere,
So verloric niet mijn ere
25 Dus vore enen viant.
Die duvel heiten!) hier gesant !’’ Dit horde de coninc Espriaen:
| „En mach hijr „iet langer staen Nu van groten scande?).
30 Ic sie an genen®) sande Minen kempe verslagen ;
Dat en canic niet gedragen ; Hi was mi van herten hout. Nie en was man so stout,
35 Die mi wilde wederstaen , Hine hads met scade gedaen. Nu heves wonder mi,
Waer iemen so starc sìf), Diene mochte vellen,
40 Die duvel uter hellen
En hadt seker gedaen !’ Doe seide de coninc Espriaen: „Gereet u wapene openbare, Ende laet ons gaen daernare.’”
45 Si waren daer met eenen saen.
A. r°. kol. 2 Doen nam de coninc Espriaen
Sine man bi handen, Ende gingen op den sande Die rese ge.. tegen ®).
50 Dit sach die cone degen,
1) Hs. hieten; heiten = heeften.
9) Scande is hier van het mannel. znw. scant (scint) afgeleid, dat o.a. in den Wapene Martijn (I, 848: den helscen scent en Vierd. Martijn, vs. 451: den swaren sint , L. met Verdam: scint) voorkomt; het heeft dezelfde bet, als het vrouwel. scoande.
2) Hes. gene. 4) Hs. starc sie. >, 5. vult aan: Gernout. Dit kan m.i. bezwaarlijk. Gernant toch is geen reus en wordt ‚u. ouk in vs. 504 en 578 door de reu … … eter Te gClene man” genoemd.
é
!
ÎL. BERE WISSELAU.
Ende sprac te Wisselauwe: „rec ut dine clauwe Ende laet dijn eten staen. Ie gie van gere borge gaen, 55 Na minen besten waen, Den coninc Espriaen Met vreseliken resen. Here! wat sal onser weren! 1) * Ie siere hem vele volgen. 60 Ie wane hi es verbolgen, Ende sere scelden sal te hant, Dat sin kempe es gescant.
Wisselau, sote vrient,
Hier en soutu beiden twent; 65 Mac di wech ende vlie, Dat di de coninc niet en sie. Lati weder binden, Tote wi ondervinden en*) si. . . … groet,
70 So es °.
dinen moet,
So ontbindic u, te waren, Her só di dare ontvaren, ‘Ontlopen ofte ontrinnen. Machtuse an I. side gewinnen. {5 In hars selfs gewout, Sine wildent om h. . gout?®) ; Of si ons met nide bestaen, So vane enen gaen, Ende treckene onwerde 80 Neder op die erde; Ende toechten dine cracht 3 Ende doe hem dattu macht, Dattu heves gedaen desen.” Wisseiau liet sin eten wesen , 85 Watti was gereet d . - Inden kiel g . io De te ee) Daer hi sine | Ende lieten
De . 90 Do.
S. teekent aan: weren, aldus”. Men leze: wesen (quid nobis fiet f). S. vult aan: willen. Ik betwijfel de juistheid van deze aanvulling.
L. hondert pont gout ? Serrure vult aan: dare // gevaren ;
maar welken zin geven die woorden ?
poe en ere td er tn ee on mer
16 II. BERE WISSELAU.
Á. r°. kol. 3. . . . . haren bere ge . Doe gince die coninc Espriaen Vaste bi den resen staen 95 Ende vragede openbare, Wie dorsten verwaren, Die sinen kimpe hadde verslagen. „En cant et verdragen Dien lachter no dese scande. 100 Magickene in desen sande En . . . . ons verwaren Ie loent hem M. marc te waren. Hi war in meneger goet Comen dor min -
en BAD vh He ad „) hi 105 Beide lude ende wale.”
Doe antwerde Gernout
.n . . en I. here stout °):
„Hort dat, her coninc mijn,
Wi . . . k . . . dijn 110 d. . . .b. .
Wi .. k .
Recht ende genade hebben ondersceet, Dat wi daden es ons leet, ‚b. . ons . . out,
115 . . .en kwam dinen kempe stout Hi seide hi soude ons allen vaen Ende binden ofte doen slaen.
Doe balch hi . Diere hem lettel . 120 Datti iemene gewike, Sijn si arm ofte rike, Op datti verbolgen es. Dijs sijt seker ende gewes, _ _Quamer C. also groet 125 Alse dese, hi had se doet,
1) Het rijm wijst aan, dat hier een regel moet zijn uitgevallen. Die regel kan echter ook vóór vs. 103 zijn uitgevallen. Men zou kunnen lezen : Hi waer in meneger noet Comen dor min wille, Beide lude ende stille.” 2 Lees: Een kempe ende een here stout ?
II. BERE WISSELAU. 1%
Eer du geaets een claue
Die coninc seide Wisselauwe t) . . … « « dien soud 4 . moch . 130 .
A. r°. kol. 4. 135. . . .tic. Hi dede datti . Hi spranc ute. . es . Alse de wilde weder . Ende sloech na . 140. . . . ter.
Wisse
145 .
Daer hi wa 150 Maer. .d .. . „ene. . Den ma. .
Doe . bh B B u Be 152 Karel ende .
1) Serrure vult aan: claue || Wisselauwe. Maar wat beteekent dan vs. 126? en it: vs. 127 kan geen datief (Wisselaue) staan. 2
18
ÎL, BERE WISSELATU,
d . .nu on . 170 . : 175 . 180 . . À. ve. kol. 1. . led ic gescant et getale . « « « « « u also wale 185. . .. . derlike haestelike . st wan 190 . 195 . é … … … en ‚nen . „ gen u heren’ ‚t allen goeden 200 . ‚ne . de ge. . nomen 205
gern . . W dan bere hadde geleet hadde gereet
‚ epe saen
‚ es aen
IL. BERE WISSELAU. 19
215 . 220 . 2251) .
A. v®. kol. 2. 230 Doe seide coninc Espriaen : „Gi self uwen kimp laten staen Gebonden in den kiele Semmi mine ziele! Quam hi op minen zale_ 235 Hi verbete ons allen wale; | Dat ware mine scande. Dien coensten van den lande Dien latic over niet varen, Wil hi mi niet daren, 240 No doen enege scande . … … … te. . ande’) Semmi den here de mi geboet! Hets de duvel of sin genoet.” | W . …. vragdene hi 245 „Esser dar dan mere, Dan er met desen bracht?” í Doe wert Gernout bedacht Ende sprac vele sciere: „Ie hebbe sier bruder viere
Ee
ij) Serrure heeft zich hier blijkbaar in het tellen vergist: bij hem staan 8 verzen tusschen 225 en 230,
2) Serrure vult aan: „met clauwe ofte met tande”, g*
20 il. BERÈ WISSELAU.
250 Gebonden in den kiele Semmi mine ziele! Die sin vreselike gevaen; Si selen mit ons opstaen, ____Je salse met ons leiden, 255 Doet ons genoech gereiden ; Dat segic u wale, Si atent tenen male Al dattu ®) in IL. nacht Gereides met diere cracht. 260 IJdel sijn hare magen, Si en aten in drien dagen Barelyc maer een broet. Dese hebben honger groet.” Met sorgen sprac Espriaen :
265 „ . . .an u genaden staen . et belgen „helden ‚en 270 .
A, v®, kol. 3. 275 . . en ......d Maer de coninc Espriaen En dorste niet langer staen. De reussche heren Begonden weder keren 280 Alle op hare borge. Met wel groter sorge Ofte de ander ITIL. ontbonden *), Dat sise in corten stonden Souden bringen toter doet, 285 Dat was haer anxt groet. Doen hiet bringen Gernout Wisselauwe, den hi was hout, Sinen roc diere 8 Van III. quarteneren, 290 Dien hi deede maken, Doen hie ten hove tAken 1) Hs. dat. | 2) L. Oftsi?
HI. BERE WISSELAU.
Met Karel was gevaren!). Dien gaf hi Wisselau te waren Ende dedene hem ane.
295 Dat dedi®), ic wane,
___Dattem te bat souden scouwen Beide heren ende vrouwen, En uut achte?) te mere Ende oee dor der werelt ere;
300 Ende hi hem oec b .. iet4) Doen hi hem te kempe sciet. 5) Doen hi den roc hadde ane, Gingen si alle sane Tote Espriaens borge
305 Met wel groter sorge,
Karel ende sine man. Wisgelau mede gaen began. Gernout leiden doe
Ende sprac den bere toe:
310 „Alsie in den borch come, Soutu dichten dinen vrome €), Ende wi jegen den coninc spreken, So soutu ons ontbreken,
é „e dan weten
315. . . . . eet dat eten
binnen B te vl . ie 320 . en ln iere 1)
A. vo. kol. 4. Die iste bi den viere, Eist gesoden of gebraden. Dus selesi di ontraden. Dan merct wel wie hi si, 325 Den meester coc ende scart hem bi, Nemen bi den hare, Ende scouten int sop openbare.
1) Hs. gevaen. 2) Hs. dede. 8) ?
4) S.: beliet. Maar wat beteekent het vers dan? 1 behiet? 5) Sceden heeft hier den zin van: uitkiezen.
6) D. 1: Dan moet gij op uw voordeel bedacht zijn.
7) S: die spise brenc dan hiere.
22 IL BERE WISSELAU.
Alse dandere dat gesien , Selesi alle vörtvlien. 330 Dan nem den ketel saen Ende comer met tons gegaen, Ende doe dat ic di rade In sconinx kemenade !). Set neder den ketel 335 Vore sconinx setel, Dan nem den coc uut sop, Des selen wi maken ons scop, Ende eten dan al in dinen mont.” Hoe wel de bere dit verstont, 340 Karel en wiste haer tale niet, No dat reussce diet; Sine wisten niet haer tale, Maer Wisgelau verstont se wale. Doe hi ter borch quam binnen 345 En wilde hi niemen minnen Sonder Gernoude sinen here. Hort van den portenere, De vore de porte stont. Doe hine ®) gach ter stont, 350 Began hi van daer te vlien. Hine dorsten niet anesien. Hi vloe, hi riep met wee: „o Wit o wach! o wee! Here coninc Espriaen , 355 Hier comt de duvel gegaen! Hi es soe stare ende soe groet; Hier es goeder hulpen noet.” Doe seide de coninc Espriaen: „Laet, dorper, din geselle staen, 360 Hets I. kempe eerlic; Mijn goede kempe Eeric 3), Hine conden niet wederstaen. Dese en moesten te were staen ; B. ro. kol. 1. Hi comt met sinen here, 365 Ic willene gerne eren; Ende willen genoech geven, Wille hi met gemake leven,
1) Hs. kemenelde. 2) Hs. Doe hi. : 3) Serrure leest: eeric; waarschijnlijk is hier echter een eigennaam bedoeld.
mn
}
HI. BERE WISSELAU.
Na minen besten waen.” Noch w. den coninc Espriaen
310 . . . . « « « moede!) Dattie kempe goede Darom . . . . . nam?) quam
Dese de borch sal 375 De rese . . . al
Dat si hebbe nu hare stat.
Karel vore den coninc sat
M . . . . Geernoude vanc Die . . . . . …. dwanc
380 . . . . . . . « gout Vertrakene
Des goeden Geernouts hiet: Si hadden groten sorge,
385 Hoe si uter borge Souden metten live ontgaen, Of so resen wilden bestaen®) Met groten nide,
Dar si waren blide,
390 Dat Wisselau haer geselle was, Daer ic vormaels ave las; Ende si hadden groeten troest, Dat si seker verloest Met hem souden wesen,
395 Bestonden se de resen.
Doe si saten in de sale, dese tale: bied be he ok er a CDE . … …* … … … t besteti di 400 . . . . . . . .genoet . net so groet . uwen ‚ ouwen … « « « « u volgen
HOO er te a en ed ik
n niet ontfaren en te waren.”
1) L. Noch was den c. E. || Droef in sinen moede ? 2) L. Darom sinen ende nam? 3) L. Of se die resen? Vgl. vs. 395.
23
24 IL. BERE WISSELAU.
Doe antwerde fternout, Die coen was ende bout: B. ro. kol. 2. 410 „Espriaen, dats waer , Kinlijc ende openbaer, Dese kempe, dese here Doet mi dicke grote ere. Hore wijs t) ic di trouwe geve,
415 Hines no mijn maech no mijn neve, No nieuwer belanc ®).
Ie verwan hem in sijn lant, Datti mijn man wert sciere, Ende siere broeder viere,
420 Die doen alle mijn gebot In enén winke, wete God! Ie dorste desen wel bestaen, Ende soudene te doet slaen.” Doe antwerde de coninc,
425 Dats waerlike dine: | „ie en cans niet getrouwen.” Mettien quamen gevlowen Scinkers ende drossaten Die hars selfs so vergaten,
430 Dat sé vloen in de zale 5) Dies daric mi) vermeten wale, Dat se so drongen over een, Datter selc brac sin been, Selc sin arm, sele sin hoeft.
“435 Alle de coke, dijs geloeft, Vloen schiere op een paras, Ende riepen: „0 wi! o las! Here coninc Espriaen,
In de cokene es gegaen
‚ 440 Die duvel barlike!
| Hi slint warlike
En main. Emi’
1) Wijs d. i. wies.
2) Serrure leest: belant. Ik kan niet nagaan, wat dat zou kunnen beteekenen ; belanc is, dunkt mij, het vereischte woord waar van verwantschap sprake is. Zie Mnl. Wdb. i v. Waarschijnlijk moet men no in vs. 415 schrappen en in vs. 416 daarentegen na invoegen; dus:
Hines mijn maech no mijn neve,
No nieuwer na belanc.
3) Hs. Dat vloen.
4) L. aldus in plaats van: nu.
IL. BERE WISSELAU. | _ 25
Al datter es gereet, Rou, gesoden, God weet! Wine moegen met hem niet gesijn, 445 Gine wilt ons gehulpech sijn! Die liefste!) coc Brugigal Es nu verscout al In den groten ketel. Beide crauwel ende lepel 450 Brecti an dine want. Hi woest noch kheden al u lant Ende etet al datter es binnen’). En cond oee niet ontrinnen : ei a B a) B. ro. kol. 3. 455 Sidi man, gidi wijf.” Doe sat Gernout ende loech, Ende sach waer Wisselau sloech Den ketel, dar Brugigal In lach verscout al. 460 Die coninc Espriaen Wart op en wilde vlien saen, Op enen torre de was vast; Maer Gernout, sin gast Trackene *) datti neder sat. 465 Wisselau vor hem trat 5), Hi sette neder den ketel, Ende en eiscede crauwel no lepel. Sijn poten stac hi int sop; Des hielden haer scop 470 Karel ende sine genoete. Vleeschstucken vele, groete Trac hire uut van den coke, Dien hi scoude in den sope. Ay! hoe soetelike hijt- at! 475 Doe hi vor den coninc sat, Hi sachen wredelike an. Alle de rese, sine man,
1) Hs. liefsten. Misschien moet men lezen: Dijn liefste.
2) Hs. dart s innen.
3) Serrure vult aan: „Ghi latet hier u lijf”. Dit kan echter bezwaarlijk een goeden zin opleveren met den volgenden regel. Misschien moet achter ontrinnen (vs. 453) een punt staan en dan: „Ghi latet alle hier u° lijf”.
4) Hes. tractene.
5) Hs. trac.
26
’ IH. BERE WISSELAU.
Waren vervart soe, Dat si op de balken clommen hoe. 480 Doe spraken si alle, te waren: „vele moetstu gevaren, Ende evele mote di gescien, Dattu ets, daer wi toe sien Onsen coc ende onsen knecht, 485 Die ons dicke wel heeft berecht.” Doe seide de coninc Espriaen: „Laet uwen kempe wech gaen; Hi es lelec ane te scouwen. Dus &) mochdi mi getrouwen, 490 Ic magene niet aensien. Helpt mi dat ic moege vlien Ende dat ic moege ontfaren. Hier en settem niemen ter waren Van al minen knechten; 495 Hoe soudic iegen hem gevechten ? Du seits onwaer. Du dorst evele bestaen , 2) Dattu . . . iene va.
B. ro. kol. 4. 500 Des en canic niet betrouen Mine knecht sin mi ontvlouen Ende hebben hem geborgen Met wel groter sorgen ;
Sine dorstent niet gesien.
505 Dat en mochte niet gescien, Dor luste dorstes bestaen 5), Ende hem doet woudes slaen, Ende du so clenen worme bist.” Dit seidi al dor list:
510 Hi hopede, datti soude Verbiten Geernoude Ende alle die hem volgen, Op datti worde verbolgen. Ende dan waendine scieten
515 Met staken ende met spieten,
1) L. Dies (Diis)? Ook dus is echter mogelijk. Vgl. Mnl. Wdb. i. v. also. 2) Hier schijnt een regel te zijn uitgevallen. 3) Dattune dorstes bestaen ?
IL. BERE WISSELAU. 27
Met sniden ende met scachten,
Dit waren sine gedachte.
Doe sprac Geernout
Te Wisselaue, dijn hi was hout 520 In gargoensche tale!),
Dat niemen dar wale
Sonder Wisselau en vernam:
„De coninc es tonswert gram ,
Wi selen te samen springen,
525 Beide worstelen ende wringen. Wisselau, ic ben dijn vrient, Du en sout mi biten twent, Al sla ie u sere;
Ie ben Ghernout, u here.
530 Comt dijn clau in mine huut, So es onse vrienscap uut. Strijdt niet lange daer weder, Laet u werpen ter neder,
Dan selewi met eren
535 Te lande weder keren.”
Doe dese tale was gedaen, Sprac Ghernout de cone saen*): „Espriaen, here,
Dor u minne ende u ere
540 Doe ic Wisselaue 8 Wetu da es v . .. .? „Jaet,”’ sprac Ger .
_ B. ve. kol. 1. 545 Beide nacht ende dach.” Doe spranc op Gernout, Een cone helt stout, Ende gaf den bere enen slach, Datti en horde no en sach. 550 Alse doe verquam de bere, Spranc hi op sinen here, Den goeden Geernoude, Alse of hine biten woude,
1) Gargoensch is waarschijnlijk identisch met jargon, dat ook reeds een zeer oud woord is. Littré í. v. 2) Of moet men lezen: „ten coninc saen”’?
28 II. BERE WISSELAU.
Alse hi oee hadde gedaen,
555 Hadde hi de tale niet verstaen, Die hem Gernout hiet,
Daer hijt al omme liet. Doe dedi de gelike Alse of hine gruwelike
560 Al verbiten soude.
Doe wranc hi Gernoude Algader in sine claen;
Maer hine wildes niet slaen !), Dattem iet dade wee.
565 Dus worstelden si twee, Wel so lange wile,
Dat men ene fransoise mile Met gemake soude gaen. Doe weec de bere gaen,
570 Doe werpene onwerde Gernout op de erde,
Ende ginc sitten boude Neder, dar hi woude. Doe lach met luste ?) de bere,
575 Alse of hi verwonnen were, Ende en dorste niet opstaen. Doe waende Espriaen,
Dat de clene heren Also stere weren®).
580 Doe seiden alle de resen: „O wi! ho mach dit wesen, Dat dese clene man Dien kempe dus*) verwan! Ware was hi gevodet,
585 Bi wie was hi gehodet?
Bi welker moder gesoget, _ Die selke cracht toget?
B. v®. kol. 2. 590 Die den camp hadde begonnen, Dien heeft hi verwonnen.
1) D. i. Hij wilde hem volstrekt niet (niets van hem, slaan. 2) D. 1. liste.
3) Al(le) so?
4) Hs, dijs.
hmmm
II. BERE WISSELAU.
. was hi geborgen Nu comt hi in sorgen Den coninc onsen here
595 Dese kimpen vele mere !),
Die . . onsen sloech te doet ®), Dine roert hant no voet ; Ende es so ontdaen,
Hine dar niet op staen.
600 Here, wane quam u de starchest, Dat gine so sciere hadt geleit Neder toter erden ?
Wat sal onser gewerden ? Die duvel, diene hier brachte,
605 Verlaets ons met siere krachte, Dat si ons niet en onteren Van lieve no van heren.”
Doe sprac Geernout : „Stant op, kimpe stout,
610 Du heves geten, God weet ! Al dat hier was gereet, Gesoden ende gebraden ,
Al heefstuut verraden 5), En can niet geweten,
615 Wat wi selen eten”
Die coninc ende sine man Lachen began.
‘Wisselau spranc op sine voete, Ende scudde onsoetet).
620 Van sinen rocke Sprongen wel diere cnoppe. Doe loech Karel ende sine man Ende sprac ten bere vresam :
„Waeromme machtu dijn cleet sliten ?
625 Dine darf man niet verbiten 5) Datti verwan dijn here.” Het dochte den bere onnere,
1) L. Bi desen k.? 2) Serrure vult in: „Die bere onsen s. t. d.” Ik kan niet nagaan, wat dit moet beteekenen en stel voor te lezen: „Die den orsen s, t. de” 3, Verraden, d. i. afhandig maken door list, afnemen, ontstelWen. Zoo ook
Rijmbijbel. vs. 32472.
4) ee plinde scudde hem onsoete.”
5) 1. „verwiten”,
29
30 II.' BERE WISSELAU.
Datti clagede sijn cleet Ende van herten leet !). 630 Doe vergramden sin moet Ende scorde sinen roc goet Datti hem dochte te lanc be ie te se 5 ae
B. v°. kol. 3. 635 Springen alsem goet dochte. Hi werpen in den viere, Ende lach neder sciere,
Ende warmde sine side. Inden sale wide
640 En was rese so starc, Diene om M. marc Hadde geheten opstaen, Ofte van der stede gaen, Alse een jonchere hi sat;
645 Hi was warme van dat hi at, Van vleesce ende van brode. De resen quamen node Ieweren bi den viere;
Hi dochtem ongehiere.
650 Doe sprac de coninc Espriaen: „Laet sonder bant niet staen Uwen kempe in der borge; Mine man hebben °% sorge.
Ie wilse nedergaen %),
655 Si selen ons gereiden saen
Dijs wi selen leven.
En weet u wat geven,
Hi hevet al geten, God weet! Dat hier was gereet.
660 Hi en heet ons niet laten ! God moeten verwaten *), Datti nie int lant quam.
Ie ben te hem wart gram,
1) Le vs, 628 en 629 in omgekeerde volgorde,
2) L. hebbens, 3) Misschien hetzelfde als het 17de eeuwsche dergaan, d, i, iemand aan n boord
komen, hem polsen. 4) Serrure drukt deze twee verzen (vs. 660-—661) in tegenovergestelde volgorde.
M, 1. is deze volgorde juister.
ll. BERE WISSELAU. 31
Maer u, lieve heren, 665 Willie gerne eren, Want ie ben u hout.” Doe antwerde Gernout: „Hi es nu so sat, Hine comt heden van der stat. 670 Hi wille nu hier Raste hebben an dit vier. Ic geve u allen vrede Op uw gedane rede, Dat gine stoet no en slaet 675 Ende dat eten gereiden gaet…” Blodelike dat sijt angingen, Dat sijt eten gereiden gingen. Doe gereden si genoech. de . vor droech, B. vo, kol. 4. 680 Sprac de conine Espriaen : „Sal u kimpe medegaen ? Des gijt here gewes, le ete node dar hi es. Hi es so lelecke. ci 685 Ie weet. . . . . .et}, Hier nes scinker no drossate, Die hem droege datti ate.” Doe sprac Gernout, Die Wisselaue was hout: 690 „S . g.s. die worden sat °). Dar ter taflen niet en at 5). Hi docht hoe hi den heren, Behouden giere eren, Uten lande brochte, 695 Dat waren sine gedochte Ende den bere vresam saen, Die hem den scade hadde gedaen. Hoe dicke Espriaen sach Opten bere, dar hi lach, 100 Of hi begonde rechten : Datti met sinen knechten
1) S. vult aan: „H. e. 5. l. ane te site // IL w. niet wie hem diene.” 2) L. Sine gasten die worden sat, Mar hi etc.
8) S.: „Dart t. t‚ n. e£ a.” Hoe kan dat echter ooit een zin geven? Blijkbaar wordt hier gesproken over Espriaen, zooals uit het verband (met vs. 692697» duidelijk wordt. Naar het mij voorkomt zijn vóór vs. 690 eemjge verzen uitgevallen.
32
4) Te om een,
HK. BERE WISSELAU.
Vander taflen mochte ontrinnen. ‘Daer sat hi met onminne . _Ja.sins selfs sale.
705 Hem en was te mode wale. Alsi doe volaten Ende biden viere saten, Sprac men om !) slapen gaen.
„Doe seide Espriaen :
710 „Sal u kempe slapen met u? Gi heren, dat so . . .nu Sal men u.
In ere leven .
Men sal de
715 Beide b.
Quamen.
Ende quame .
Ende worde
Hi hadse s.
120 Des seldi 8 Dor uwes . . .... Doe antwerde Gernout,
Hi was vroet ende stout,
„Ic sals mi
TIL.
HET ROELANDSLIED.
In 1838 kende Mone nog geen hs. van eene Middelnederlandsche vertaling der „Chanson de Roland”;-uit een zeldzaam volksboek en uit vermeldingen van andere Mnl. schrijvers maakte hij echter op, dat zulk eene vertaling moest bestaan hebben!). Dat dit werkelijk het geval was, bleek in 1840, toen Holtrop een fragment dier vertaling in het licht zond ?). In 1851 ontdekte Ruelens een tweede fragment, en in 1858 gaf Serrure het gevondene op nieuw uit, vermeerderd met een derde fragment (door hem reeds in 1835 gevonden) en met het poëtische gedeelte van het volksboek 8). In 1864 gaf Bormans dit alles te zamen met een vierde fragment op nieuw in het licht“). In eene breedvoerige „Introduction” en in sommige zijner „remarques” trachtte hij licht te verspreiden over onze vertaling. Den aard van zijn werk kenschetst hij zelf in deze woorden: „Mon travail, il faut bien que je le répète, n'a pour but que d’écarter les ronces et les broussailles, d’aplanir le chemin pour ceux quis voudront un jour soumettre nos fragments à un examen plus profond etc’) Zekerlijk hebben wij reden, Bormans dankbaar te zijn voor hetgeen hij deed: hij was de eerste, die onze Mnl. fragmenten aan een nauwgezet onderzoek onderwierp; hij heeft de teksten, zooveel hem mogelijk was, gezuiverd en hersteld, en eindelijk heeft hij door de vergelijking der fragmenten onderling en met den- Oxfordschen
1) Vebersicht, bl. 36.
2) Konst en Letterbode van 1840.
3) Vad. Mus, II, 1—96.
4) La Chanson de Roncevaux, Fragments d'Anciennes rédactions thioises, avec une introduction et des remarques par J. H. Bormans, Bruxelles, 1864.
5) Introd, p. 57. |
34 UI. ROELANDSLIED.
tekst den weg aangewezen, die gevolgd moest worden. Dat hij des ondanks het werk niet ten einde bracht, is gedeeltelijk toe te schrijven. aan de groote verwarring, die'in onze fragmenten heerscht, aan den gebrekkigen toestand waarin zij tot ons kwamen, aan het ontbreken van kritische hulpmiddelen enz. Na zich zoo lang met bedorven teksten te hebben beziggehouden, begaf hem de moedt) en hij liet het werk aan anderen over. Ook is hem bij zijn onderzoek hinderlijk geweest , dat hij (hoezeer onbewust) steeds beheerscht werd door een vooroordeel. Dat onze fragmenten uit het Fransch vertaald waren, wilde hij wel zoo ongeveer aannemen, maar toch niet geheel. Vaderlandsliefde had bij hem de gedachte aan een „prototype thiois” doen ontstaan, waarvan ook de Fransche „Chanson” zou afstammen); dit nevelbeeld zweefde hem blijkbaar steeds voor oogen en belette hem helder te zien. Op dat prototype komen wij later terug; wij hebben ons nu in de eerste plaats met onze fragm. bezig te houden. Sedert 1864 is voor het onderzoek der „Ch. de R.” veel gedaan. Wie zich daarvan wil overtuigen, behoeft maar een vluchtigen blik te werpen in de „Notice bibliographique et Historique sur la Chanson de Roland”, die bijna 100 met kleine letter gedrukte bladzijden beslaat in het grootsche werk van Léon Gautier8). Onder de kritische hulpmiddelen, die daar opgesomd worden, is er geen dat voor ons onderzoek zulke uitnemende diensten bewijst als de uitgave der Ch. de R., door Theodor Müller, een toonbeeld van Duitsche vlijt®). Het Oxfordsche hs. ligt aan deze uitgave ten grondslag, maar in de noten wordt een schat van aanhalingen uit andere redacties gegeven, die het mogelijk maken onze fragmenten op vele plaatsen ook. daarmede te ver- gelijken. Het is deze uitgave, die ik doorloopend geciteerd heb; van tijd tot tijd zullen de uitstekende uitgave van Léon Gautier®) en die van den „Roman de Roncevaux”’®) (een der gewichtigste „remaniements’’) ons ook van dienst zijn.
Wat is ons nu overgebleven van onze Mnl. bewerking der Chanson de Roland? Wij hebben 4 fragmenten: het Brusselsche (B), groot 80
nere
ne LEED nd AT
1) Introd, p. 46.
2) Zie Introd, p. 59—61.
3) Les Epopées Francaises (2me éd. entièrement refondue), III, bl. 493—591. Over onze fragmenten zie men vooral p. 502, 531, 547, 578.
4) La Chensou de Roland. Nach der Oxstforder tEumdschrift herausg., erliutert te. von Theodur Müller. Easter Theil. Göttingen, IAT8. |
5) La Chanson de Roland. Texte critique, traduction et commentaire, Grammaire ct Glossaire par Léon Gautier. Ile éd. Tours, 1881.
6) La Chanson de Roland et le Roman de Roncevaux des XIIe et XIIIe siëcles prbliës — — — par Francisyue Mac “1969,
HI. ROELANDSLIED. 35
verzen, het Haagsche (H.), groot 332 verzen, het fragment van Looz (L.), dat 565 regels telt en dat van Rijssel (R.), dat uit 379 versregels bestaat.
Eindelijk nog het Volksboek uit de 16de eeuw, dat half proza, half poëzie is; het poötische gedeelte, dat 1247 verzen telt, vormt echter « op zich zelf een geheel en is zonder twijfel eene omwerking van een ouder stuk, dat ook tot de Mnl. bewerking heeft behoord. Deze vier fragmenten en het Volksboek bevatten niet ieder een afzonderlijk deel van het Fransche epos, maar loopen van tijd tot tijd parallel en dat is ons een gewichtig hulpmiddel bij de onderlinge vergelijking. Om een denkbeeld te geven van de wijze; waarop de verschillende fragmenten aan overeenkomstige deelen der „Chanson de Roland” beantwoorden, weet ik niet beter te daen dan hieronder eene tabel te laten volgen, die deze verhoudingen duidelijk kan maken.
B. == Ch. vs. 882—1005 (Lacune tusschen vs. 40—41 == Ch. 914—987).
H. == Ch. vs. 1082—2112 (Lacune tusschen vs. 168—169 == Ch. 1239—1980).
L. == Ch. vs. 1059—2607 (1ste Lacune tusschen vs. 17/0—171 == Ch. 1207 — 1260; 2de Lacune tusschen vs. 186—187 == Ch. 1282-2095; 3de Lacune tusschen vs. 248—249 —= Ch. 2148—2200).
R. == Ch. vs. 1680 (+ 3 verzen eener, andere redactie) —2065 (1ste Lacune tusschen vs. 30—31 == Ch. 1702—1724; 2de Lacune tusschen vs. 192— 193 =—= Ch. 1830—1918).
V(olksboek) == Ch. 844—2011 (Lacune tusschen vs. 1222—1223 == Ch. 2019—2355). Daarna nog een kort slot ongeveer == Ch. 2355—2398.
Kan men uit deze tabel opmaken, op welke wijze elk fragment als geheel aan een deel der Chanson beantwoordt, uit de volgende moge duidelijk worden, welke de verhouding is der verschillende fragmenten onderling, tot Vb.!) en de Chanson.
Vb. B. en L. H. Ch.
vs. 1—4
5 vs. 844,
918 a 848851. 19—24 | 852854. 27—52 855—8/2. 53—70 B. 873—881. 11—170 __1—40441—47 882—989.
171—188 47 —80 990—1005. 189—200 | 1006—1016. Ontbr. 1017—1050.
1) Met deze afkorting zal ik voortaan het Volksboek aanduiden. 2%
36
III. ROELANDSLIED.
Vb. L. H. Ch. 201—250 (1—2) 1051—1092. 217 3 1059. 217—238 3—24 1059—1079. 239250 25—36 1—11 1082—1092. 251—254 37—40 12—15 1093—1096. 255—280 41—70 16—43 (275—280 65—70 40—43) 1047— 1048? 281—284 11—74 MAAT LXXXTX, 1111. 285312 15—112 48—76 11241138.
Ontbr. Ontbr. Ontbr. 1139—1151. 313—350 113—144 11—102 1152—1169.
Ontbr. Ontbr. Ontbr. 1170—1187.
351—362 145—158 103—115 Ontbr.
Gedeeltelijk naar V. 29—32, 61—64.
363—368 159—162 115—120 11881195. 369—399 163—170 121—138 1196—1212. 400—419 Ontbr. 139—162 1213—1234. 420—447 Ontbr. 163—169 1235—1260. A46 —447 171—72 Ontbr. 1260. 450—483 175—186.… > 1261-—1310.
Ontbr. Ontbr. (1269—1274). 458465 181—184 1275—1280. 466—471 185-186. 12811288. 466—467 185—186 472411 1289-1296.
Ontbr. 1297—1303. 418—483 1304—1307. Ontbr. 1308—1310. 484500 1311—1319. 501—509 (Invoegsel). 510—521 1321—1332. 522—542 (Invoegsel). 543544 | (1469). 545574 == Müller, bl. 145—146, Gautier, 128—131. CXXVIII-—-CXXXT. 575—612 1483—1518. 613—636 1360—1378. Ontbr. (CIX, CX) 13791411. 637—648 1412—1422. 649— 686 Müll, bl. 141, Gaut. CXXIV, CXXV. 687— 720 15191549. Ontbr. 1550—1679. 721—821 Gaut., No. 146-—149; Müll., bl, 168—172.
Vb. 797—821
822865 866—927 Ontbr. Ontbr. Ontbr. 1172—1183
928977 978—1007
IJ. ROELANDSLIED.
R. 1... 15
15—30 … ………31—70
71—120 121—149 151—176 177—192
Ontbr. Ontbr.
990—1001 (Invoegsel).
1002—1007 1008—1057
1058—1081 1081—1107 1108—1171 11721183 1184—1209
1210—1222 Ontbr. »
»
V. 12241247 = LL.
193—234 235—254 255304 177—192
305—308 311323 324332 335—370 353—370
371—379(Einde).
Ontbr. L.
187—194 195—216 219—248
Ontbr. 249277 277—297 298325 326—357
358-—391
348 392429 430—491 492527, 528557
H
37
Ch.
Müll., bl. 170 (V.); Gaut. CLXIX;
169-222
223226 227—241 242248 249275 263274
215—305
Ch. 1680—1690. 1691—1721. 1722-1752. 1753—1784. 1785—1829.
?
R. de R. CLXXX, ed. Müller, bl. 193. 1851—1872. 1876—1888.
1886—88. 1889—1912 + tirade V. 1913—1951. 19521977. 1978—2007.
Gautier, CLXIV. 2008—2010. 2013—2021. 20222034. 2035—2055+tirade Müller, bl. 218; Gautier, CLXXX. 2056—2087.
307—332(Einde). 2089—2112.
307—332.
2095—2098.
2113—2146. 2148—2200. 22012232. 22332270. 22742296. 22972397. 23982443.
24442474, 2476—2569. 2570—2591.
20022607.
38 HI. ROELANDSLIED.
De vraagstukken, om welker oplossing het ons voornamelijk te doen is, en — naar ik meen — te doen moet zijn, zijn de volgende:
1. Behooren de Mnl. fragmenten en het Volksboek tot dezelfde
vertaling der Chanson de Roland? _ 2, Welke is de verhouding dier fragmenten tot elkander en tot het Volksboek ?
3. Is het mogelijk de redactie of de redacties aan te wijzen, welke aan onze fragmenten ten voorbeeld hebben gestrekt ?
4, Wat valt omtrent den aard der vertaling op te merken?
De eerste vraag kunnen wij al dadelijk bevestigend beantwoorden. Zooals men uit de tabellen kan zien, omvat Vb. ongeveer alle fragmenten ; slechts een deel van L. moet men uitzonderen. Uit eene nauwkeurige vergelijking tusschen elk fragment in het bijzonder met Vb. bleek mij, dat B, H., L. en R. gewoonlijk woordelijk met Vb. overeenkomen en dat “er geen twijfel aan kan zijn of zij hebben tot hetzelfde gedicht behoord. Punten van verschil waren bij die vergelijking talrijk genoeg en wij behandelen die later, maar ook uit eene oppervlakkige beschouwing zal aan ieder duidelijk worden, dat hier geen twijfel mogelijk is. Men moet bij deze vergelijking echter in aanmerking nemen, dat Vb. (in dezen vorm) een paar eeuwen jonger is dan de andere fragmenten.
Die doorloopende overeenkomst is zeker het sterkste bewijs, dat onze fragmenten deelen eener zelfde vertaling hebben uitgemaakt; maar bovendien blijkt dat ook hieruit, dat sommige tirades der Ch. de Roland zijn weggelaten, die in geen der fragmenten (op de overeenkomstige plaatsen natuurlijk) te vinden zijn. Zoo b.v:
LXXXIX = Ch. vs. 1110—1123; XCI == » vs. 1139—1151;- XCII z= » vs. 1170—1187.
Daarentegen vertoonen de fragmenten op overeenkomstige plaatsen overeenkomstige gedeelten, die niet in eenige redactie der Ch. de Rol. te vinden zijn en die dus tot de oorspronkelijke Mnl. vertaling moeten behoord hebben. Zoo b.v. H. 17—29 == Vb. 256—266 == L. 42—54 (slechts enkele regels daarvan vindt men in de Ch. terug; zoo b.v. Ch. 1101 = H. 20—21 = L. 45-—46; Ch.:1102 = H. 22-23 = L. 47—48). Zoo ook H. 97—100 = L. 139—142 = Vb. 343—346; R. 275—278 == H. 187—190 = Vb. 1134—1137. H. 169—178== R. 255—262 = Vb. 1110— 1119 (alleen Vb. 1115—6 = H. 1/4-—5 Z R. 258—9 = Ch. 1976—7 ; H. 193—4 = R. 27980 = Vb. 1138—9.
Ik vermoed dus, dat er ééne Mnl. vertaling der Ch. zal hebben bestaan. In dit vermoeden, dat berust op de zoo even aangevoerde gronden, word ik nog versterkt door de volgende feiten.
In B. vs. 13 en Vb. 141 vinden wij den naam van „Malprimis de Brigaf’ (Ch. 889) weergegeven door „Esloer van Burgan” en „Hector van
III. ROELANDSLIED. . 39
Biergale”. Hoe is deze afwijking anders te verklaren, dan door aan te nemen, dat twee afschrijvers een zelfde hs. (of afschrift daarvan) gebruikten en een zelfden naam op verschillende wijze lazen? Een voorbeeld van hetzelfde verschijnsel vind ik terug in L, H. en Vb. Denzelfden regel lezen wij daar op overeenkomstige plaatsen aldus:
L. 128: Fierlijc hi daer mede reet.
H. 88: Fierlijc hire mede reet.
Vb. 326: Cierliken hi daer mede reet.
De eene afschrijver las eene f,‚, de ander eene c.
Soms ook vindt men eene tirade uit het eene fragment geheel of gedeeltelijk in een ander terug — maar op eene verkeerde plaats. Zoo vinden wij L. 161—166 op eene andere plaats in Vb. (428—437) terug. Beide afschrijvers hebben dus dezelfde Mnl. vertaling onder de oogen gehad, maar de een. gebruikte deze regels in de beschrijving van een gevecht tusschen Roeland en een Saraceen, de ander in dat tusschen Turpijn en Courabel. Zoo vindt men H. 115—116 in Vb. 28—31, maar niet op de met H. overeenkomstige plaats, want H. 115—116 = Vb. 363—364. Zoo staan de verzen van H. 145—148 dáár niet op hunne plaats; men vindt ze in Vb. 490—493 terug en daar behooren zij ook, zooals uit eene vergelijking met de Ch. zal blijken. Ook deze feiten wijzen op eene gemeenschappelijke bron; er moet ééne bewerking hebben bestaan, welker tekst door verschillende afschrijvers met meer of minder zorg werd gebruikt. |
Echter — gelijk ik reeds opmerkte — ook de punten van verschil zijn in de verschillende fragmenten en het Volksboek talrijk genoeg. Eene bespreking daarvan brengt ons vanzelf tot de tweede der vragen, welke wij ons gesteld hebben: Welke is de verhouding der fragmenten tot elkander en tot het Volksboek?
Heeft elk fragment deel uitgemaakt van een afzonderlijk afschrift der Mnl. vertaling? Bij de beantwoording dier vraag laat ik Vb. dat zooveel jonger is dan de overige fragmenten, voorloopig ter zijde en behandel eerst B, L., R. en H. Al dadelijk leert een blik in de tweede tabel ons, dat L. en H. en evenzoo R. en H. afzonderlijke afschriften moeten zijn geweest; immers zij bevatten tal van parallel-plaatsen. Het Limburgsch gekleurde dialect van L. doet dit afschrift bovendien geheel op zich zelf staan; ook L. en R. waren dus afzonderlijke afschriften.
De vraag, die ons te beslissen blijft, is deze: heeft B. misschien behoord tot een der afschriften H. of R.? Dat B. en R. deel zouden hebben uitgemaakt van hetzelfde afschrift, is zeer onwaarschijnlijk, omdat R. zich kenmerkt door eene groote slordigheid, die men niet in B. aantreft *); dan schijnt ook het aantal regels van eene kolom in de twee
1) Men vergelijke b.v. R. 4—5; 7, 9, 31, 38, 55, 75—76 eene herhaling van: “ 61—62, 77— 78? vs. 106—7 herhaling van 103-—4, 141? 143, 146—147 enz.
<«
mare
40 IL. ROELANDSLIED.
hss. verschillend te zijn (R. is geschreven in kolommen van 46 à 48, in B. telt elke kolom slechts 40 regels). Het schrift van B. wordt door de uitgevers tot de eerste helft der 14de eeuw gebracht en is netjes; dat van R. is volgens Serrure (den eenige, die het gezien heeft) „van rond het midden der 14de eeuw en slordig” U).
Dat deze twee tot één afschrift zouden hebben behoord, is dus niet waarschijnlijk. Eer zou men dit van B. en H. kunnen vermoeden. Beide onderscheiden zich door betrekkelijke zuiverheid van taal; echter wordt H. wegens het schrift tot de 13de eeuw gebracht, terwijl B. tot de eerste helft der 14de eeuw schijnt te behooren. B. is geschreven in kolommen van 40 à 42 regels, H. in kolommen van 40. Al is het nu niet onmogelijk , dat B. en H. tot één afschrift hebben behoord, zoo acht ik het toch waarschijnlijker, dat wij ook hier met twee afzonderlijke copieën te doen hebben. Men zou echter de beide hss. moeten onderzocht hebben om met meer zekerheid te kunnen spreken, dan ik hier kan doen.
Het Volksboek eindelijk zou, indien men alleen met den tijd te rade ging, eene copie of liever eene omwerking kunnen zijn van elk der hss., waartoe de fragmenten B. L., H. en R. hebben behoord. Dit kan echter wat L., H. en R. betreft niet het geval zijn. Men treft nl. in Vb. verschillende regels aan, die geheel en al met andere in de Ch. de R. overeenkomen, die dus zeker tot de oorspronkelijke Mnl. vertaling behoord.
_ hebben en die toch niet op de overeenkomstige plaatsen in de fragmenten
worden gevonden. Zoo komt b.v. overeen: Vb. 363—368 = L. 159—162 = Ch. 1188—1195. En nu is: Vb. 364—367 == 1190+1192; L. ontbr. Zoo komen overeen : Vb. 369—387 == L. 163—170 == Ch. 1196—1207. En nu is: Vb. 376—385 = Ch. 1198—1204; Li. ontbr. Vb. geeft wel geene woordelijke vertaling, maar men ziet toch, dat L. hier onmogelijk voorbeeld kan zijn geweest. Zoo is vs. 1261 der Ch.: E Gerins fiert Malprimis de Brigal, in L. 175—177 aldus vertaald: De fransoys Eggherijn (Ghebenedijt moet hi sijn) Hi stac Malaprise soe wel, etc. in Vb. 450—452: Die wel ghemoede ridder Eggherijn (Ghebenedijd so moet hi bi Gode sijn) . Hi stac Malprise van Brigale
1, Zie daarover Borm. Introd. p. 83, 34 en Vad. Mus. IT, bl. 26.
III. ROELANDSLIED. 41
Eindelijk zijn in L. ongeveer 53 verzen der Ch. (1207—1260) weggelaten , waarschijnlijk door eene onachtzaamheid van den afschrijver !); deze verzen vindt men echter in Vb. (388—446) terug. Dit alles zou natuurlijk niet mogelijk zijn, indien het hs, waarvan het fragment L. deel heeft uitgemaakt, het voorbeeld van Vb. ware geweest.
Dezelfde ervaringen doen wij op bij eene vergelijking van de twee andere fragmenten met Vb. |
Zoo is: Vb. 398 == Ch. 1212; ontbr. in H.
Zoo: Vb. 1164 == Ch. 2001; ontbr. in H. en R.
Zoo vindt men Vb. 490—493 terug in H. 145—148; dáár (in H.) zijn het regels uit den strijd van Franceroen en Olivier en staan dus niet op hunne plaats, zooals uit eene vergelijking met de Ch. blijkt. In Vb. staan zij op de plaats, waar zij behooren. Vb. is hier dus beter dan en onafhankelijk van H.
En evenzoo vindt men:
Vb. 810—821 == Ch. 1685—90; ontbr. in R.
Vb. 837—870 == Ch. 1702—24; ontbr. in R.
(Deze verzen gingen niet verloren, maar werden door onachtzaamheid of met opzet weggelaten.)
Vb. 872873 = Ch. 1725; ontbr. in R.
Vb. 880—885 == Ch. 1728—30; ontbr. in R.
Vb. 920 =— Ch. 1745; ontbr. in R.
Is Vb. dus onafhankelijk van elk der 3 afschriften, men treft in deze ook weer tal van regels aan, die dáár worden gemist en evenzoo vele verzen, die Vb. met een of meer der 3 fragmenten gemeen heeft en die niet tot de Ch. behooren, wat weer op ééne bron wijst. Eene vergelijking tusschen B. en Vb. leidde niet tot dezelfde uitkomst; wel vond ik vele regels in B, die in Vb. ontbreken en toch wel tot de Ch. behooren (B. 41—46 = Ch. 987—88; B. 51—52 == Ch. 991; B. 55—56 = Ch. 993; B. 57—62 = Ch. 994—998; B. 67—70 == Ch. 1000—1001), maar van het omgekeerde vond ik geen voorbeeld. Daartegenover staat dat B. slechts 80 regels telt en in dit opzicht dus niet dezelfde bewijskracht heeft als de andere fragmenten, die 4 en 5 maal zoo groot zijn en dus veel meer gelegenheid tot vergelijking aanbieden. Ik ben dus wel geneigd aan te nemen, dat wij in Vb. eene omwerking hebben van een veel ouder afschrift, dat weer onafhankelijk was van de vier andere.
Gelijk ik reeds zeide, vertoont elk der fragmenten op zijne beurt regels, die niet op de parallel-plaats van een ander fragment worden aangetroffen en die toch wel in de Ch. de Rol. kunnen worden aangewezen, die dus waar- _ schijnlijk alle deel hebben uitgemaakt van de oorspronkelijke Mnl. vertaling.
1) De afschrijver vergiste zich hier waarschijnlijk, want hij laat de tweede helft van vs. 171 (= Ch. 1260) onmiddelliik volgen op vs. 170 (= Ch. 1207). Bormans hed dit vok reeds opgemerkt. Zie £. a. pl. p. 93.
de HI ROELANDSLIEED.
Dan eens treffen wij verzen aan, die wel in H. en L., maar niet in Vb. of wèl in H. en Vb. maar niet in L., wel in L. en Vb, maar niet in H. enz. te vinden zijn, of ook wel alleen in H. of Vb. of L.
Zoo bv.: Vb. 389 = Ch. 1212 ontbr. in H. Vb. 1164 = Ch. 2001; onafhankelijk van H. en R. H. 151—154 = Ch. 1223 ontbr. in Vb. | H. 191—192 = Ch. 1985—1986 | „ __»„ Vb. en R. R. 309—310 = Ch. 2012 En | R. 329 = Ch. 2030 de R. 342343 —= Ch. 2047 : R. 351—352 == Ch. 2055 sn H H. 215—216 = Vb. 1162—1163 == Ch. 2000 „ „ER. H. 239—240 —= Ch. 2015 „ _»„ Vb. en R. H. 314 — Ch. 2102 ie ge H. 324 = Ch. 2108 in ad L. 210 = Ch. 2106 5 B. L. 137—138 = Ch. 1165 == Vb. 341—342 se A
In de 2de tabel kan men zien op welke plaats in een fragment een ontbrekende versregel verwacht kon worden. Dat de verschillende afschrijvers tamelijk vrij te werk gingen, kan
reeds hier en daar gebleken zijn en zal nog duidelijker blijken aan ieder, die zich de moeite wil geven een paar parallel-plaatsen te vergelijken.
EN
Welke fragmenten onderling de sterkste gelijkenis vertoonen, kan ik niet uitmaken. Nu eens komen H. en L. het dichtst bij elkander, dan eens H. en Vb, dan L. en Vb. dan R. en Vb). —
Ik meen dus te mogen aannemen, dat er ééne Mnl. vertaling der Ch. de R. is geweest, van welke 5 of (indien B. met een der fragmenten tot hetzelfde hs. behoort) 4 verschillende afschriften zijn gemaakt. Deze afschrijvers gingen allen tamelijk vrij, soms zelfs slordig te werk; een dier afschriften werd in lateren tijd opnieuw afgeschreven en min’ of meer omgewerkt; ook dit geschiedde op slordige wijze.
Wij komen nu tot de derde vraag: Is het mogelijk de redactie of de redacties aan te wijzen, welke aan onze fragmenten ten voorbeeld hebben gestrekt ? | |
ID H. = L., vgl. H. 16, 17—29, 38—47, 48—58, 64—74, 88—94 met de
‘overeenkomstige plaatsen in L.
H. = Vb., vgl. H. 36, 63, 79—84, 95—96, 117—120, 121—130 met de overeen-
komstige plaatsen in Vb.
L. = Vb., vgl. L. 59, 85, 137138, et 147, 151. R. = Vb. R. 269, 271, 279—80. Op vele bhtsen is het niet uit te maken.
III. ROELANDSLIED. 43
Bormans roert deze vraag even aan, maar doet geene poging haar te beantwoorden. Sprekende over degenen, die na „hem zullen komen, zegt hij o. a.: „Ils auront peut-être, rien n’empêche de l'espérer, encore d'autres fragments à leur disposition et ne se verront certainement plus réduits à de simples conjectures relativements à leurs rapports avec les différents remaniements frangais, que nous ne connaissons aujourd’hui que par quelques extraits ou des analyses incomplètes 1)”
Nieuwe fragmenten nu zijn sedert niet ontdekt en in zoover bevinden wij ons niet in gunstiger omstandigheden dan Bormans, maar zeker zijn wij hierin vooruitgegaan, dat de middelen tot vergelijking zooveel beter zijn geworden. In de uitgave der Ch. de R. van Theod. Müller immers zijn — ik vermeldde het reeds — telkens overeenkomstige plaatsen uit andere redacties opgenomen en deze komen ons bij eene vergelijking uitstekend te pas. Voor ik echter de uitkomsten van mijn onderzoek in dezen mededeel, zal het noodzakelijk zijn het een en ander te zeggen omtrent de verschillende redacties der Ch. de R.…, de hss., waarin zij tot ons zijn gekomen en de onderlinge verhouding, waarin deze tot elkander staan. Eene vrij algemeen aangenomen zienswijze is die, welke wij in het reeds genoemde werk van Léon Gautier, „Les Epopées Frangaises” ?), op de volgende wijze vinden weergegeven. De Fransche geleerde neemt de volgende tabel der „filiation des différents manuscrits du Roland” van Prof. Foerster over.
Original
« Ê gee gn a’ a” ch £ | | a | Oxford. Venise IV. Versailles, Venise VII. : 7 Y Cambridge. Paris, Lorrain, Lyon.
Ter verklaring volgen dan deze woorden: „L’histoire de ces divers manuscrits peut se rósumer en quelques propositions, que nous allons énoncer sous la forme la plus concise: 1° Le manuscrit d'Oxford n'est évidemment pas un manuscrit original, mais une copie exécutée, durant la seconde moitée du XIIe siècle par un scribe anglo-normand. Le scribe était des plus ignorants: la copie est des plus médiocres — 2° Le manuscrit original, prototype, de cette antique version, a dû être Suivant nous exécuté en Angleterre, entre les années 1066 et 1095. Il n'est point parvenu jusqu’à nous — 3° Un certain nombre de copies ont été prises sur cet original perdu. Sur lune de ces copies, déjà corrompue
IJ) T.a. pl. p. 57. 2, Ald. III, 501.
44 IIL. ROELANDSLIED.
et viciée («) ont été transcrits deux textes .(a’ et a”) qui forment une seule famille, représentée par les manuscrits d'Oxford et de Venise IV. == 4° Plusieurs copies ou sous-copies du manuscrit original (qui ne sont point parvenues jusqu'à nous) ont circulé en Europe et ont été traduites ou imitées: dans les pays scandinaves...… en Allemagne... dans les pays néerlandais (d'où les fragments flamands publiés par M. Bormans, qui réprésentent également le texte d’Oxford, mais qui remontent directement à la source allemande).
Ziedaar dus den stand van zaken. Welke redactie heeft nu aan onze fragmenten ten voorbeeld gestrekt? Ik begin met te zeggen: in geen geval is het de Oxfordsche redactie (&). Hoewel onze fragmenten grootendeels met die redactie overeenkomen, zooals met behulp der hierboven geplaatste tabel aan ieder spoedig kan blijken, is daarentegen het aantal afwijkingen zoo groot, dat blijkbaar eene andere redactie voorbeeld moet zijn geweest. Verreweg de meeste dier afwijkingen nu vond ik terug in de Venetiaansche redactie («&”), vele ook in de Parijsche ().
Ik zal die afwijkingen hieronder laten volgen !).
In Vb. 482: „Hi stac Astromarijs door den lichame”; O. (CI): Estramariz; P.: Estomaris; L.: Estomaris; Vz: Estormarin.
Vb. 545—574 == Ch. (ed. Gautier) CXXVIII-—CXXXI ed. Müller, bl. 145—6. « Deze tirades komen niet voor in O., wel in V., P., Vs, Vz. Dat deze regels echter aan V. en niet aan de drie andere ontleend zijn, blijkt uit Vb. vs. 559—560:
Den fellen Grandenes gaf hi daer Een gulden teeken, dat was waer.
Nu leest men alleen in V.:
„Dunet à Grandonie une enseigne d'orfrei”’.
P. (dat als type der „remaniements’”’ kan gelden) heeft:
Un confanon, qu'il ot fait atorner Donna Grandoine.
Vb. 649—660. Deze beschrijving van het onweer en de teekenen, die in Frankrijk geschiedden, is ongetwijfeld niet aan O. ontleend. Zoo vindt men b.v. Vb. vs. 653:
„datter niemant waende langher leven”, alleen in de andere redacties terug. Zoo b.v. in V.: „Hom no l'vid no ‚cuit sa vie perdre” (Müller, bl. 138); in P.: „Home n’i a ne cuit morir atant’”’ (ald.).
Ook Vb. vs. 661—672 komen niet in O., daarentegen wel in de andere
I) Om de verschillende afkortingen te begrijpen, zooals die door Müller in zijne uitgave gebruikt worden, wete men, dat O. = Oxfordsch hs; V. = Venetiaansch hs. IV; P. = Parijsch hs; L. = Lyonsch hs; C. = Cambridger hs; Vs. = Versailler hs.; Vz. = Venetiaansch hs. (VII). P. is hetzelfde als de „Roman de Koncevaux”. Vgl. bl. 34.
II. ROELANDSLIED. 45
redacties voor. Vgl. b.v. Ch. (Gautier) CXXI (V.)*) en ed. Müller, bl. 139 (P.). Ook slechts dáár volgt op deze beschrijving van den slag de komst van Margarijs, wien het alleen gelukt is te ontvluchten. (Zie ed. Müller, bl. 141, Gautier CXXIV, CXXV en Vb. 673—686, al wordt in het Nederlandsch slechts de hoofdinhoud weergegeven van hetgeen omstandig verhaald wordt in het Fransch.) Müller en Gautier zijn echter van oordeel, dat deze tirades wèl tot het oorspronkelijke gedicht behoord hebben.
Vb. 689: „Hi sat op een paert (dat) hiet Gardemont”.
Ch. vs. 1528 (O.): „Siet el cheval qu’il claimet Gramimund”.
In Vz. heet het paard van Grandonies „Garemon”’ (zie Müller, p. 156). Dat men hier de paarden, die aan verschillende ruiters toebehooren, verwisselde, behoeft geen bezwaar te zijn; de Nederlandsche vertaling springt met namen zeer luchtig om. .Zoo heet in Ch. 1491 ‘het paard van den Saraceen Climborins „Barbamusche”. In de Nederl. bewerking (vs. 575—580) is hijzelf tot Booryn geworden en „Samperduc dat sijn ors hiet”. Men vindt dit paard een eind verder in het bezit van een ander Saraceen Malquianz. Ch. vs. 1554: „Siet el cheval qu’il claimet Salt-Perdut”
Vb. vs. 721—821 vindt men niet in O., wel in V., P., Vs, Vz; volgens Gautier en Müller hebben deze tirades wel tot het oorspronkelijke gedicht behoord. Zie ed. Müller, bl. 168—172, Gautier CXLVI, CXLVII, CXLVIII en CXLIX.
Vb. vs. 747. In de opsomming der landen, welke door keizer Karel zijn onderworpen, leest men, vs. 747: „Calabren ende Poelgiën mede”,
In V. (Müller, bl. 168): „Roma a conquise et Calauria et Pulie ?).
In P. (ald.): „Rome a conquise, Calabre a retenue”.
V. schijnt hier dus door den Nederlandschen bewerker gevolgd en de lezing van die redactie, welke door Müll. en Gaut. wordt afgekeurd, ontvangt steun uit die bewerking.
In Vb. vs. 765—776 lijkt de Nederl. tekst isen meer op P. dan op V. (zie ed. Müller, p. 169—172). Zoo vind ik b.v. Vb. vs. 772: „die menich marc wel waren weert”, alleen terug in P.: „C. tans vault d’or que elle ne pega”’.
Daarentegen vindt men de lofspraak van Olivier op Roelant: „O0 God almachtich! wat ridder is Roelant” enz. (Vb. 780), niet in P., maar wel in V. Zie Gautier CXLIX.
„Deus”, dist Rollanz, „cum cist est bons vassals! „EB! gentilz quens, tant pruz e tant leials”, etc.
Ld
I) Gautier geeft in zijne uitgave ook den tekst van O., maar vult dien steeds aan uit V.; vandaar dat ik zijne uitgave dikwijls citeer.
Lak:
2’ L. Crlahrig retenue (volgens M.).
46 III, ROELANDSLIED.
Vb. vs. 797—798: Ende also gheringhe als si vernamen, Datse daer bi malcanderen quamen, vindt men niet in P., maar wel in V. terug. Zie Gautier t.a. pl.: „En la grant presse à Rollant s’aprotsmat”’. Vb. 904—907 = R. 51—54: „Wi sullen” sprac hi „onlanghe leven, Dese werelt moeten wi, lacen! begheven” enz. Alleen in P., str. CLXXIII, vs. 7, Sus hui eest jor morrons sans recouvrier”’, vind ik een regel, die aanleiding kan hebben gegeven tot deze kerkelijk getinte uitweiding.
Vb. 910—913 = R. 57—60:
Ooc eest te spade nu begonnen. enz.
Van dit te laat komen van Karel wordt in de Ch. (O.) niet gesproken. In P. vind ik iets, dat er aan herinnert (t.a. p.): „Loins nos est Karles, - tart iert au repairier”’.
Op eene enkele plaats, waar Vb. en R. overeenkomen, staat Vb. dichter bij O., en R. dichter bij P. Men vergelijke:
Vb. vs. 924—925 « Ch. 1750 (0):
Ende hi sal ons jammerlijc be- claghen
Ende ter kerken cierlije doen Enfuirunt en aitres de mustiers. draghen.
R. vs. 65—66: P. CLXXIII: Eh sal ons vele weerde les feront couchier Doen graven in die eerde. Dedens la terre.
R. 165—168. Het wonder, waardoor de dag verlengd wordt ter wille der Christenen, wordt in O. eerst veel later vermeld (vgl. ed. Müller, vs. 2447—2454, terwijl R. 148—149. —= Ch. (O.) 1828—1829) en de inkleeding dáár doet niet denken, dat de Nederl. bewerker dien tekst gezien heeft. In P. CLXXIX wordt het wonder zeer kort vermeld, evenals in het Nederlandsch.
R. 177—192 = Vb. 1172—1183.
Deze uitval tegen Ganeloen en zijn geslacht komt weer niet in O. voor, wèl in de andere redacties. Zij komt juist in deze volgorde voor in V., P. (CLXXX) en V. (ed. Müller, bl. 193). Ik zou echter meenen, dat v. en niet P. het voorbeeld is geweest der Nederl. vertaling :
1° omdat in R. 178 „Sente Marie” (‚Nu helpt, Sente Mariel”) wordt aangeroepen, evenals in V.: |
Doen sprac Kaerle die vrie: „Nu helpt, Sente Marie!”
III. ROELANDSLIED. 47
V.: Go dit li roi: Sancta Maria aiue!
Terwijl P. heeft:
„Dex” dist-il, pères, vrais rois omnipotens”, 29 omdat de in R. 191 voorkomende beschrijving van den moord van
Julius Cesar:
Ende worpene in ene wiere !), niet in P. maar wel in V, voorkomt:
„Chi in fogo ardent et angosos mis fure”. 3° Wegens de volgende regels, die ook pleiten voor V.
R. 185—1886:
Die serifture vertellet ons wel, Dat sine vorders waren fel.
Vb. 1177—1178:
Want na dat ons orcont die scrifture
So waren sijn voorvaders fel. Terwijl P. heeft:
Nt
In veille geste est mis in seriture' Ses ancesur firent ingresme fellune
En vielle geste le treuve-l’on lisant | Que ses lingnaiges est fel et souduians.
Vb. vs. 960—973 komt niet in O0. voor, wel in de „remaniements”’. Zie Müller, bl. 196: „In den andren französischen Redactionen folgt eine Tirade, die zum grösseren Theil eine zweite Version der Anrede
Rolands an Olivier enthält.
Sie mag aus dem Original stammen, wird aber schon in @ Aenderungen erfahren haben.”
Het schijnt echter, dat
de Nederl. bewerking het dichtst bij P. en Vs. komt. Vgl. b.v:
Vb. 960: Doen toochdese Roelant die fiere Sinen gheselle Oliviere. Vb. 956: Ende daerde gheworden root van kersten bloede.
Vb. 968—971: „O soete Vrancrijc’, sprac Roelant, „Hoe seere sidi nu ghescant, Al verwoest ende ontervet, Dattu onser hebste ghedervet”,
Vs.: Li cons Rolant a Oliver mostree %).
Vv .
Li cont Rollant Oliver en appelle (?). P. OLXXXTI:
L'erbe dou champ en fu ensain- lentée,
Li dus Rollans l'a Olivier monstrée.
Pe Ha douce France, com iez à dolor livrée De bons vassax iez hui désertée. Vs.: | O douce France, com es deseritée De bons vassaux confondue et gastée |
V. heeft hier niets, dat aan deze regels beantwoordt.
1) L. viere. 2) Vz.: contée.
4S : TIL. ROELANDSLIED.
Vb. vs. 1048—1057 niet in O, wèl in V…, Vs, Vz. en P. Zie ed.
Müller, bl. 200 en 201 en Roman de Roncevaux (P.) CLXXXV.
Vb. 1172—1209 staat niet op zijne plaats. Daarvan is vs. 1172—1183 (== R. 177—122) reeds behandeld. 1184—1209 is het vervolg van de reeds genoemde tirade, die niet in O., maar wel in de andere redacties, met name V. en P., voorkomt.
Deze regels (1184—1209) zijn echter blijkbaar aan V. en niet aan P. ontleend. (Men vergelijke ed. Müller, bl. 193—194, Gautier CLXIV.)
Vb. 1185—1187 V.: Rollant ad mort, ma gent ad cunfundue,
„ 1193 = V.: Par chevaliers n’iert France defendue. „ 1195 — V.: Si m'ad de Y'chief la curune tolue. „ 1197 trait sa barbe canue.
11981201 = V.: Dient Franceis: „Dolent! Mare net sumes.”’ Deze Eee worden in P. niet (vs. 1198, 1197, 1198—1201) of in een anderen vorm minder overeenkomstig dan V. aangetroffen.
R. 353—370 = H. 263—274. Deze tirade wordt niet in O. aangetroffen, wel in V, P.…, Vs. en Vz. Zie ed. Müller, bl. 218 vlgg. en Gautier CLX XX.
(Ende Roelant en wilde niet wiken) L. 230: Maer vacht als een leeu waerliken. Men vindt dezen regel alleen terug in deze verzen van V.: „Cu fait el leons, quant e maltalentis, Anci li muroit que il voile fuirs.”’ In O. komt deze vergelijking niet voor, noch in P., noch in de andere redacties. Daar leest men op deze plaats:
je Tant par est fiers et de si grant aïr, | Miex weult morir que il daingnast fuir. Vs, Vz.: Li cons fu mot de merveillos aïr
Ainz i mosra que lor veille t) fuir.
L. 310: „Maer Roelant doen bequam” Dezen regel vind ik niet in 0. en P., wèl in de andere redacties, als b.v. V.: „Da pasmason li cont Rollant reparie”’, en Vs. en Vz.: „Rolant est revenu | De pasmeson”.
L. 3/4—375: „Here coninc,’ seiti, „twaren Hier en helpt gheen kermen noch (claghen) ghebaren.…” Ke Ik vind deze regels noch in O., noch in een der andere redacties terug. Alleen P. heeft een paar verzen, die in dezen voorbeeld kunnen zijn geweest. Wij lezen daar (Roman de Roncevaux CXXVII) aan het slot: „Drois emperères, trop vos poez irier Diauz sor doloir ne vault pas I. denier.”
1) Vz.: que il voille.
II. ROELANDSLIED. 49
L. 425-426: Op Mamet dat si riepen, Dat hise hulp uten diepen. Mamet komt niet in O., wel in V.…, P., Vs. en Vz. voor. Op sommige plaatsen worden wij eer aan P. herinnerd. Zoo b.v:
L. 23—24: Ch. (O.) 1090—91: Eer willie sterven eerlike, Que ja pur mei perdet sa valur Eer lachter hebbe Vrancrike. France, Mielz voeill murir que me vien- get viltance. V. 237—238: P. XCVIII: Liever vele soe wil ic sterven Miex voil morir que France en eerlike soit blasmée. Dan bi mi scande ghecreghe Vrancrike. L. 4243: Ch. (O.) 1099: Lieve gheselle, nu mochdi hier Dist Oliviers: „Rollanz, veez en Ghescaert IL. groot vole sien. | alques !° V. 256—257: P. O Roelant, ghi moocht nu Dist Oliviers: „Or les povez mirer merken hier Tant en i a, nus ne les puet esmer.
Menich vole ende wel aensien.
L. 51—61 = V. 265—273 = H. 26—36. Ontbr. in de Ch.
Alleen van een enkelen regel vind ik iets in P. terug: L. 61 = V.273 H. 36: „God gal AE (ghe)wouden ”; P. 1720 (CI): „Dex penst des autres, qui tout à sauver”’.
L. 83—112 = V. 293—312 = H. 54-—76 = Ch. 1127—1138 (inhoud van het „Sermoen’”).
In P. is het sermoen echter meer uitgewerkt, evenals in de Nederl. fragmenten.
V. 364: Ch. (O.) 1190: Ende sprac sijn overmoedich De nos Francais vait disant si woort. mals moz: P. CXI: Moult fièrement à haute vois escrie. V. 368 = L. 161—162: Ch. (O.) ontbr. Want haers levens en ware P. CXI: doch niet. Tuit i morroiz et perderez les vies.
Men zou geneigd zijn het er voor te houden, dat V. als origineel heeft gediend; met die redactie toch vertoont onze vertaling de meeste overeenkomst. Maar andere plaatsen maken dat weer twijfelachtig, daar zij aan P. en een enkele maal aan andere redacties doen denken. Ik
- 4
50 III. ROELANDSLIED.
zou daarom meenen, dat de Mnl. vertaler gewerkt heeft naar eene redactie, die wij niet kennen, maar die het dichtst bij V. staat. Dat “onze vertaling ook zoo dikwijls aan P. herinnert, zou doen vermoeden, dat V. en P. tot elkander in nauwer verband staan dan Gautier gelooft. Sommige Duitsche geleerden, als Theod. Müller, zijn van oordeel dat V. ontleend is aan #; in zijne inleiding (V) zegt hij: „Auf £ hat man V., wahrscheinlich auch Nd. (onze fragmenten) ....... zurückzuführen.” En frautier zelf deelt in zijn reeds aangehaald werk mede: „Dans une thèse qui a été présentée en 1879 à l'université de Marbourg, M. Ottmann soutient un système contraire à celui que nous venons d’exposer sur le ms. de Venise IV, et essaye de prouver, que pour la plupart de ses lecons, ce manuscrit se relie à la version originale de Foncevaux. Nous attendrons pour nous prononcer sur ce point obscur, la publication de la thèse de M. Ottmann. Jusque-là nous croyons devoir persister dans notre système !).”
Op grond der voorafgaande onderzoekingen geloof ik dus, dat de Duitschers in dezen gelijk hebben en dat onze Mnl. vertaling bewerkt is naar eene redactie der Ch. de R., die wij niet kennen, die echter tot de groep £ behoort, dus tot de zoogenaamde „Remaniements”, welke tusschen V. en P. in, maar dichter. bij V. staat.
Dat onze vertaling en de Duitsche bewerking van „Pfaffe Konrad” naar dezelfde Fransche redactie bewerkt zijn, wordt vrij algemeen aangenomen en ligt ook voor de hand. In een onderzoek over den Oxforder ‘ tekst haalt Dr. A. Rambeau (wiens resultaten ook Gautier overneemt) een paar voorbeelden aan, waaruit de overeenstemming tusschen den Duitschen en den Nederlandschen tekst blijkt®. Ik voeg daarbij nog het volgende :
In Vb. vs. 1026 leest men:
„Hi sloech hem den arm metter scoudere af.”
In alle Fransche teksten, die ik zag (O., V.…, Vs. en P.), vindt men niet van den arm, maar slechts van „le destre puign”’ gesproken, in dezen trant, Ch. (O.) 1903:
„Irenchet ad li cuens le destre puign…”’
Bij Konrad echter lees ik (ed. Grimm, p. 222): „den arm er im abe
swanc”’, en: „der chunc verlos sinen zesewen arm”,
Nadat wij alzoo getracht hebben een antwoord op de drie eerste vragen te geven, kunnen wij overgaan tot de vierde, tot eene beschouwing der
1) T.a. p. HI, 508. 2) Ueber die als echt nachweisbaren Assonanzen des Oxforder Textes der Chanson de Roland, von Dr. Adolf Rambeau. Halle, 1878, p. 15.
II. ROELANDSLIED. 51
vertaling zelve. Over het algemeen moet ons oordeel over de wijze, waarop de bewerker zijne taak volbracht, ongunstig luiden. Dat oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op. de gebrekkige kennis van het Fransch, die overal uitkomt). Eene eigenlijke vertaling levert de Mnl. bewerker trouwens niet; hij staat daarin gelijk met velen zijner tijdgenooten. Bormans zegt te recht (Introd, p. 32, noot 1): „traduire - c'était imiter; on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes manières.” Het hangt dan slechts af van de wijze, waarop men al deze zaken doet. Gewoonlijk tracht de Nederlandsche bewerker in zijne eigene woorden den hoofdinhoud weer te geven van hetgeen hij | meende, dat de dichter der Chanson zeide. Vandaar dat letterlijke | overeenkomst lang niet altijd valt aan te wijzen; de Mnl. dichter gaf eer eene bewerking van het Fransche epos, dan eene vertaling. Bovendien liet hij sommige tirades hier en daar geheel of gedeeltelijk weg, voegde „weer op zijne beurt regels in of wijzigde het origineel in zijn geest. Maar juist op dien geest komt het aan. Het Fransche epos is echt feodaal, echt ridderlijk, sober van toets, maar indrukwekkend in zijn grootschen eenvoud. De Fransche dichter is soldaat in zijn hart: hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de wapenrustin- gen door en door; de blinkende, met goud doorwerkte halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de gouden sporen. Hij volgt elken slag, die wordt toegebracht, met het oog van een kenner, en weet op een prik of de den neus beschermende metalen strook (nasel) àl dan niet doorkliefd wordt, en of het zwaard afschampt, dan wel het lichaam der tegenpartij doorboort en eerst door het zadel “wordt tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard eene diepe wonde toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne eigene ruwe, eenvoudige wijze, maar hij weet toch de dapperheid ook in een Saraceen te waardeeren; hij is een getrouw vasal en heeft voor zijnen koning en voor „dulce France” alles over. „Pur nostre rei devum nus bien murir” en „Pur sun seignur déit hum susfrir granz mal” zijn denkbeelden, die onder verschillende vormen telkens terugkeeren. Alles is ontzagwekkend Wm Zn gedicht, en de woeste grootschheid van het natuurtooneel, die 200 Wtnemend is weergegeven in het steeds terugkeerende „Halt sunt li pui @ tenebrus li val”, verhoogt nog den indruk. Van dit alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig gevoeld. Hij had waarschijnlijk nooit een veldslag bijgewoond en is dan ook niet bekend met de zeden en gebruiken van het ridderwezen. Dat treft ons al dadelijk in den
mmm
1) Het spreekt vanzelf, dat dit genoegzaam blijkt, ook al kennen wij niet juist
die redactie, welke aan onze Mnl. vertaling ten voorbeeld strekte.
4*
52 IIL. ROELANDSLIED.
aanvanz van Vb.!)) De neef van Koning Marsilie heeft dezen gevraagd. om de eer van den eersten strijd; deze stemt toe en geeft hem als teeken. daarvan zijn handschoen. „Li reis Marsilies l'en ad dunet le guant’’ (Ch. vs. 873). De Nederl. vertaling heeft (Vb. vs. 53—55):
Die coninc Marcelys, dat is waer
Gaf hem die ghifte daer
Met sinen handscoe te dien tide.
Als Olivier de Saracenen ziet naderen, zegt hij tot Roelant:
de dende nf Sire cumpainz, ce crei De Sarrazins purrum bataille aveir.
En deze antwoordt (Ch. vs. 1008—1016):
Rt Ardin E Deus la nus otreit !
Bien devuns ci ester pur nostre rel;
Pur sun seignur deit hum sufrir destreiz,
E endurer e granz chalz e granz freiz
Sin deit hum perdre e del cuir e del peil Or guart chascuns que granz colps i empleit Male cangun ja chantée n'en seit.
Paien unt tort e chrestien unt dreit. Malvaise essample n'en gerat ja de mei.
En men vergelijke nu eens deze ridderlijke, mannelijke taal bij die, welke hij in de Nederlandsche vertaling uit (Vb. vs. 193—200):
Doen sprac die grave Roelant:
„Des gonne ons God ende Sinte Amant! Want wi en sijn Gode niet sculdich andersins Dan een goet ghedacht ende ghepins,
Ende altoos te stane in sinen dienste waert. Wi en dorven sekerlijc niet sijn vervaert, ‘Want dienen wi hier ghetrouwelijc onsen Heere, Onse loon gheduert hier boven emmermeere.”
De „Seignur”’ van het Fransche gedicht is in het Nederlandsche tot den „Heere, Heere’ geworden. ‚ En die kerkelijke kleur ig niet alleen in Vb. te bespeuren, maar evenzeer in de fragmenten en dat wel nergens sterker dan in het Sermoen” van bisschop Turpijn tot de Franschen (Ch. vs. 1124—1138
Vb. vs. 285—312 = L. 75—112 = H. 48—76).
Gedurig vindt men toegevoegde regels of woorden, die niet in het
1) Zooals men ziet, stel ik Vb. hier gelijk met de andere fragmenten. Wel is het eene omwerking van een ouder stuk, maar de veranderingen, die het daarbij ondergaan heeft, zijn van een bepaalden aard, gelijk wij later zullen zien; zij raken den vigenlijken tekst niet.
II. ROELANDSLIED. 53
origineel te vinden zijn en die steeds eene kerkelijke kleur dragen. (Zoo b.v. Vb. vs. 24; Vb. 250 == H. 11 = L. 36, ontbr. in de Ch.; Vb. 265 —_ 266 —= L. 52—54 = H. 2729, ontbr. in de Ch.; Vb. 397 = H. 138, ontbr. in de Ch.; L. 412—415, ontbr. in de Ch.; L. 454—455, ontbr. in de Ch).
De geest der vertaling blijkt evenzeer uit hetgeen toegevoegd, als uit hetgeen weggelaten werd; de meeste tirades of deelen van tirades, die weggelaten werden, hebben betrekking op het ridderlijk leven of zijn uitingen van den feodalen riddergeest. Zoo b.v. Ch. vs. 1017—1050, Ch. LXXXIX, XCI, vs. 1155—1158, CIX, CX, CXIX-—CXXIX, vs. 1550 — 1679 (deze tien tirades bevatten niets dan de beschrijving van verschillende gevechten); Ch. 1795—1815 (de beschrijving van een optrekkend leger, van wapenen enz).
Eene kluchtige vergissing van den bewerker, waaruit de geest der vertaling ook blijkt, treffen wij aan in Vb, vs. 707—710. Roelant bekampt een Saraceen, Walbrune (Fr.: Valdabrun). In de Ch. wordt dat gevecht op deze wijze beschreven. Ik zal de overeenkomstige plaats der Nederl. bewerking daarop laten volgen, opdat men in de eerste plaats het verschil van opvatting waarneme.
Ch. 1537—1545:
Li cuenz Rollanz, quant il veit Sansun mort, Poez saveir que mult grant doel en out. Sun ceval brochet, si li curt ad esforz, 1540 Tient Durendal, qui plus valt que fins ors, Si vait ferir le paien quanqu’il pout Desur sun helme qui gemmez fut ad or, Trenchet la teste e la brunie e le cors, La bone sele qui est gemmée ad or, 1545 E al cheval parfundement le dos. Vb. vs. 701—706: Dit hoorde die seg grave Roelant, Ende horte sijn paert van hant te hant. Hi hadde rouwe utermaten groot, Dat hi sinen neve so sach ligghen doot; Ende hi sloech Walbrunen, dat si u cont, Dattet swaert totten paerde wederstont. Nu de vergissing: het Fransche epos laat ‘op vs. 1545 dezen regel volgen : „Ambure oecit, qui que l’blasmt ne qui llot”, in de vertaling van Gautier: „Bref (qu'on le blâme au qu’on le loue) il les tue tous les deux”. Dat de bewerker het woord „ambure” (van ambo, amborum) niet verstond, daarover mag niemand hem hard vallen; äat zou ovk anderen
54 III. ROELANDSLIED.
overkomen zijn. Maar wel blijkt de geest zijner vertaling hieruit, dat hij aldus vertaalt: | Daer na sloech hi noch Amboren, … Eenen sarasijnscen tyrant hooch gheboren, Dat hi niet meer scade den Kerstenen mocht doen; Hem waer beter had hi gevloen !
Al de eigenschappen der Mnl. vertaling, welke reeds in de rkenen worden aangetroffen, vindt men in tog hoogere mate in de zooveel jongere bewerking wan Vb. terug. Overal waar men overeenkomstige plaatsen vergelijkt, zal men bevinden dat een enkele regel, een paar woorden, een epitheton zijn toegevoegd, die gewoonlijk moeten dienen om de Christenen dapperder en vromer, de Sarracenen minder dapper en goddeloozer te maken !).
Zoo wordt de Sarraceen Margarijs in het Fransche epos geprezen : het heet daar (Gautier CXXV):
Deus! quel barun, se il fust chrestiens ! en elders (ald. CXXIV) wordt van denzelfden Sarraceen gezegd: Se il sen fuit, ne fait mie à blasmer De sun cors poet grant enseigne mustrer.
In Vb. echter heet hij slechts „die quade Margarijs” (vs. 673).
… Karakteristiek is ook de vertaling eener andere plaats. Als Roelant in een oogenblik van moedeloosheid onder den wanhopigen strijd den hoorn wil steken om den keizer te hulp te roepen, verzet Olivier zich daartegen ; hij dreigt zelfs het aan zijne zuster Aude, Roelands verloofde, te zullen mededeelen en hun huwelijk daardoor te verhinderen. In het Fransche gedicht nu leest men (vs. 1719—1721):
Dist Oliviers: „Par ceste meie barbe!
Se puis veeir ma gente sorur Alde,
Vus ne gerrez jamais entre sa brace.”
In Vb. (vs. 861—865):
Ist dat ghi blaest uwen horen
Ende mi noch die fortune mach ghescien, Dat ic mine suster mach sien,
Ie sweer u dat met eeden stijf, Nemmermeer en wert si u wijf.
Was de geheele Chanson de Roland vertaald? Ziedaar eene vraag, die
moeilijk te beslissen is. Het fragment L., dat het verst gaat, eindigt bij
1) Men vergel. b.v.: Vb. 394 met H. 185; Vb. 399, ontbr. in H.; Vb. 420—447 met H. 163, .... 169 en Ch. 1235—1260; L. 176; Vb. 451; 501509, invoegsel; 583—542, id.; Vb. 826 met R. 19; en passim. Overal is Vrancrike vasnaeen door Kerstenrike en Fransoyen door Kerstenen of Kersten Vranken.
III. ROELANDSLIED. 55
vs. 2608 van het Fransche gedicht en de Oxfordsche tekst telt 4002 verzen; L. heeft een slot, maar dat is blijkbaar van den afschrijver !). Dat de bewerker onzer Mnl. vertaling een geestelijke zal zijn geweest, zou men wel vermoeden uit de kerkelijke tint, die hij aan zijne vertaling gegeven heeft en Vb. zal ook wel door een geestelijke zijn omgewerkt. Dat zou ik bovendien opmaken uit eene weglating, die misschien niet zonder gewicht is. Wanneer Turpijn de Sarracenen voor Roelant ziet vluchten, „Si cum li cerfs s'en vait. devant les chiens”, zegt hij (Ch. 1877 vlgg.): Itel valur deit aveir chevaliers, Qui armes portet e en bon cheval siet ; En la bataille deit estre forz e fiers, U altrement ne valt III. deniers, Munies (Moine) deit estre en un de cex mustiers, Si prierat tuz jurz pur noz pecciez.
Een monnik en iemand, die geen duit waard is, zijn voor den krijgshaftigen prelaat vrij wel synoniem. En wat leest men nu in Vb. (vs. 984— 1001)?
In deser ghelike soude ooc doen
Ele goet ridder ende baroen,
Ende een ieghelijc Kersten goet,
Daer God voor heeft ghestort sijn roode bloet,
Want die niet en doet also
En prijs ie niet weerdich een stroo;
Maer hi heeft recht, die dit doet,
Ende hem comter ooc af goet
Sonderlinghe, die hem tot Gode keert,
Ende sijn wet met arbeide vermeert,
Weder hi si clein oft groot van persoon,
Hi verdient er mede Godes loon,
Ende sal hem verbliden eewelike
Metten enghelen hier boven in hemelrike;
Daer hi sal hooren den soeten sanc,
Die dueren sal eewich sonder verganc. enz.
De monnik is uit de Nederlandsche vertaling verdwenen en toch ziet en hoort men hem duidelijk. Het is natuurlijk zeer wel mogelijk, dat deze plaats ook reeds in den oorspronkelijken vorm van Vb. aldus geluid
1) Vgl. over den ouderdom van de vertaling: Gesch. d. Nederl. Lett. (3e dr.). Middeleeuwen, I, 140—141, 165.
56 III. ROELANDSLIED.
8 he en deel uitgemaakt heeft der oorspr. Mnl. vertaling, maar daar wij den. vroegeren vorm van Vb. niet kennen, is dit niet uit te maken.
Ten slotte nog een woord over het vermoeden, waarmede Bormans zijne breedsprakige „Introduction” besluit en waarvan ik reeds met een enkel woord melding maakte. De Belgische geleerde liet zich door zijne vaderlandsliefde verleiden een gevoelen uit te spreken, waarvoor hij bijna geen grond had. Zijne redeneering komt in hoofdzaak hierop neer: „Heinric van Veldeke”, zegt hij, „kende de Ch. de Rol., zooals uit zijne Eneit blijkt. Deze dichter leefde in het laatst der 12de eeuw; in de taal der Saksen en Franken was toen reeds menig letterkundig kunstproduct gedicht, zooals het Hildebrandslied, het Lodewijkslied, de Heliand enz. Daarentegen kunnen de zuidelijke Franken (hij bedoelt die, welke onder Clovis Frankrijk waren binnengetrokken) in dien tijd nog niet in het bezit zijn geweest van eene „littérature ...... nationale ou populaire”. En hij vervolgt verder: „Cela ne se peut pas, et si Veldeken connaissait la Chanson de Koncevaux, ce n'est ni à Chunrat, ni peut-être môme à quelque réda ion frangaise qu'il le devait.”
Tot zoover wus de geleerde aan het woord, al kwam hij bij deze laatste onderstellingen reeds op glad ijs. Men kan nagaan, hoe nu in den ‚patriot de gedachte opkwam: „als ik eens gelijk had!’ Indien werkelijk niet „quelque rédaction frangaise” de bron ware van Veldeke, maar..... en nu wordt het „prototype thiois’”’ geboren, een „twijfelkind”, zooals Vondel zou zeggen, ontsproten uit de verbintenis van wetenschap en patriotisme of liever van patriotisme en wetenschap. Het is nu bijna kluchtig na te gaan, hoe Bormans zich zelf tracht te overtuigen. Was het zooeven nog „peut-être’”, nu gaat hij reeds voort: „Mon doute à l'égard
du dernier point est très-réel; en iets verder: „Dans l'état actuel des choses, il ne nous reste plus à faire valoir que des présomptions, mais qui sont à mes yeux de véritables preuves” ....... „Je suis fort disposé à croire, que la prémière rédaction écrite n'en a pas été francaise ou romane, mais franque, c'est à dire teutonique, théodisque ou si l'on me permet ce petit anachronisme dans le nom, thioise” Het hooge woord is ex eindelijk uit en daardoor bemoedigd gaat hij nu te stouter voort: „Cette supposition, que tout justifie, me donne le véritable prototype non seulement de nos autres rédactions thioises, mais aussi des frangaises. Il n’est pas possible d’attribuer à celles-ci une origine différente enz.”
Te recht zegt de Fransche geleerde, die dezen aanval op het nationale
kleinood met fijne, maar doeltreffende scherts afsloeg *): „Nous y voilà!
1) G. Paris in de „Bibliothèque de l'Ecole des Chartes”, 26e année (1865). Tome I, 384—392.
III. ROELANDSLIED. 57
Tout à l'heure on avait des présomptions, puis on était disposé à eroïre, puis tout justifiait cette supposition et maintenant il n'est pas possible de penser autrement. P% voilà pourquoi notre fille est muette.”
Bormans geeft geene bewijzen, maar spreekt slechts eene hem aangename onderstelling uit, die men kan laten voor wat zij is, maar die niemand behoeft aan te nemen en waarvoor vooralsnog niet de minste grond „bestaat.
FRAGMENT B.)
„Daer sal menech toe sien
n ‚Daer dese wijch sal ghescien; Ch. 882. Ende wi hebbent alsoe *) verstaen, Dat wise alle gelen verslaen…” „ 884. 5 Doen sprac Corsabels 5) die coninc, Dat was waerlike dine: sd „Ie willer emmer een *) sijn.” S „ 885. Noch 5) sprac die bose barbarijn „ 886.
(Hi was groot ende starc):
10 Hine wende 6) niet om C. marc Ende ’t goet dat ie coman 7%) Hadde ochte ye ghewan. „ 888, Esloer van Burgan sprac sine rede: „ 889. „ie willer emmer een sijn mede.”
15 Hi liep seerdere te voet, Dan enech spaensch®) ors doet. „ 890. Voor den coninc quam hi saen, Ende sprac, datment mochte verstaen: „ 891. „Vindie Roelande in Roncevale,
20 Soe wert mi te moede wale, Ie salne slaen met minen swaerde, Oft ie dorsteecne met minen daerde®).” „ 892—893.
1, Bormans, bl. 128—-130. Vad. Mus. 2, 38 vlgg. 2) Hs. wie haddent als. 3) Hs. Borsabels. * _ 4) emmer een, dat men ook in vs. 14 leest, beteekent: volstrekt, vast en zeker. Zie Verdam in Tijdschr. voor Ned. T. en L. 4, 224. (een is bijwoord). 5. Js. Doen met het hs. 6) Serrure: woude. 7) Hs. dati e‚....an. Bormans leest: „&. t. dat tomen an; maar het is niet duidelijk, wat tgoet hebben an dan moet betcekenen. Het Fransch geeft hier geen licht; wij lezen daar: „Pur tut or Deu ne volt estre cuarz.” 8) Hs. spaench. .9) Het hs. heeft volgens B. in vs. 22 het bovenstaande, in vs. 23: oft het blijft aen minen da; hij leest dus: ic salne slaen met minen swanc // oft het blijft aen minen danc. Het Fr. heeft: „Se truis Rollant, ne lerrai que ne mat.”
58 III. ROELANDSLIED.
Fen amirael quam daerna voren, Scone ende rike ende wel gheboren, Ch. 894—895. 25 Dats hem niet en gebrac.
Vorden coninc quam hi ende sprac „ 900. Met herde overmoedegher tale: „Vindic Roelande in Roncevale, 5 Ie gal sinen live ) maken fijn 30 Ende alle diere met hem sijn 3); „ 9013.
Sidermeer hebben wi vrede Van Kaerle ende van den andren mede. Noch selen wi hebben waerlike
Dat suete lant van Vrankerike.” „ 905—7 (vgl. 35 Alse hi die tale hadde gheseit, echter de noot). Dankes hem die coninc ghereit. Ch. 908. Een amirael sprac van Buranien „ 909. (Hen was gheen feldere in Spanien)5) „ 910. Hi begonste heme vermeten, „ 911. 40 Hi soude Roelande doen weten „ 914. Die here begonste hem vermeten : „ 987.
Dies en woude hi niet vergheten, Hine soude met sinen sweerde Roelande belopen heerde.
45 Hi vermat hem, dat hi Durendale
Soude wederstaen met sinen stale. „ 988. Na deser talen *) waren ghereit Die XII ghenoten, God weit, „ 990.
Ende traken vort met crachte 50 Ende met coenen ghedachte. Haerre was wale 5) Ì Vier dusent met getale. \___„ 991. Alsi doen vernamen, d Datsi biden Fransoysen quamen ®), 55 Si scieden hem op dat slechte, Als die gene die wouden vechten ?) „ 993 ? Ende deden ane halsberghe diere
1) B. sijns lives. 2) B. ende alle dier ghenoten sijn. S. alle die met hem sijn. 3) Bura .... // Spa.... 4) ‘Aldus de lezing van het he., die ten. onrechte door B. veranderd werd in: na dese talen. 5) Aldus het he. Bormans vult onnoodig aan: haer scare die was wale. . 6) Aldus het hs.; B. dattie Fransoyse quamen op grond van het Volksboek; maar die grond is zeer zwak en bovendien is de lezing van het hs. duidelijk en goed. 7) B. alse die ghereit sijn ten ghevechte eene onnoodige verandering van het hs.
II. ROELANDSLIED. 59
Van rikeliker maniere. Ch. 994—5. Si bonden helme sarragose „ 996. 60 Ende gorden sweerde vianose; » 997. Hare spere waren te Valense gemaect, Ende die timprage wel geraect. „ 998. Si bonden t) standaerde groot, Wit, groene ende root; „ 999.
65 Die varuwe was goet ende diere Ende van menegher maniere. Si lieten stave ende paerde %) Ende brachten op die waerde Orse groot ende starc, 10 Die weert waren menegher marc. „ 1000—1001. Die sonne sceen scone ende clare; Doe 8) blicte haer ghegare Scone ende herde cierlike,
Gouts ende selvers ghelike. „ 10023. 75 Si luden orghelen ende bosinen, Datsi te scoonder souden scinen. „„ 1004.
Groot geluut quam daer of; Si dadent dor prijs ende dor lof. Die Fransoyse hoorden tghescal 80 Ende vernament overal. „ 1005.
(FRAGMENTEN L EN H).*) Dat sì niet consten voorsien 5), Wat hen daerna soude ghescien.
Doen sprac te Roelande Oliver: „ 1059. „Wi hebben luttel hulpen hier, 85 Twine blaest ghi den’ horen 6)? „ 1059.
1) Aldus het hs. B. volgt te onrechte het Volksboek, waar ontbonden staat. 2) In het Fr. „Laissent les muls e tuz les palefreiz’”; het Mnl. vers is blijkbaar be- dorven, maar ik weet niet, wat er gestaan heeft. Misschien moet men lezen: somere (som'e). 3) B. Soe 4) Bormans, bl. 69—82 en 139—147. Vad, Mus. 2, 40—49. Ik nam hier den tekst van H., die zuiverder is, tot grondslag en vergeleek overal dien van L., waarvan ik mij bediend heb, waar dit noodig bleek.
5) Vs. 81—103 komen niet ir H., wel in L. voor.
6) Hs. hoeren of hoerne?
"60 III. ROELANDSLIED.
Ons heer die coninc *) sout hooren, Ende sal ons te hulpen comen, Ch. 1060—1. Als hi den horen heeft vernomen” %. Doen sprac Roelant die grave: „ 1062. 90 „In wilre nimmer 9) lachter ave! „ 1063. Want het waer een vule dine, Dadic +) dus comen den coninc, Dats onse viande 5) niet en wisten. Si soudent tien in quader listen €). 95 Wanneer si hadden vernomen 7), __Dat mi van blootheiden waer comen 8). Eer willie vechten haerde ?®)
Met Durendale. minen swaerde 19) „ 1065—6. Ende saelt hen doen ‘rouwen,
100 (Des mochdi mi betrouwen) !!) „ 1068. Dat si hier comen sijn, „ 1068. Behout mi God dat leven mijn. a Eer willie sterven eerlike,
Eer lachter hebbe Vrankerike” 13). „ 1064.
105 Olivier sprac: „Roelant, Woudi blasen den Olifant, „ 1070. Dat soudie geerne ‘sien, Mochtic u bringhen in dien.” „Irouwen,”’ seiti, neen ghi niet! :
110 Dan wille God niet, dat ghesciet, „ 1088—9. Dat soete Vrancrike bi mi Sijn eere verliese, hets soe vri! „ 1090. Pensen wi om de eere:
Ad mese
1) die (der?) conc. 2) Hs. hij d. h, h. vernoemen. 3) Hs. niement 4) Hs. Dat dic 5) Hs. vianden. 6) He. liesten 7) Hs. sij (sit) h. vernoemen 8) Hs. my van bl, waercomen 9) Hs. harde 10) Met dueren daelde met mynen sweerde 11) Hs. moch di my betruwen.
12) Hs. hebben Vranckerijcke. Vs. 105—119 luiden in L. aldus (vs. 25—36) :
Doen sprac te Roelande Olivier: (hs), „Ie neme den lachter op mi hier der l. op my Van ons allen hier te voren, heyr Wildi blasen den horen.” Wildij „Irouwen” seet hi, „neen ick niet, hij ne nic niet ‚ ht hets sonde di dij . om ‘die ere be . coninc ons heere "onsen here . omme grote slaghe sal m?nnen groette sclaghe
. daer mede ghew.nnen.
II. ROELANDSLIED. 61
Onse loon duert emmermeere.” 115 Roelant was des lives goet,
Olivier gheradich ende vroet: Ch. 1093. Niemen en mochtse *) vervaren, Alsi beide ghewapent waren. „ 1094—5.
Doen sprac de coene %) Olivier:
120 „Gheselle Roelant, nu moghdi hier Merken enen wijch ghescien; „ 1099. Si comen ende en willen niet vlien®), „ 1100? Ende ghi en weerdicht niet, Roelant,
Te blasen den olifant! | „ 1101. 125 Quame ons te hulpen die coninc,
Dat ware onsszene scone dinc. „ 1102.
Siet alom ende nemt ware, „ 1103.
Ende merket *) onse scare 5): „ 1104?
Onse menichte es cleene;
130 Maer ic weet wel, dat God alleene Bat mach dan al haer heere;
Dat es ons een scone weere. \
Wi selen ons vercopen diere Sprac Olivier de fiere,
135 „Datmen van ons ghewaghe °) Van nu tote 7) doemsdaghe.” _
1) Hs. mochse 2) Hs. coen 3) Hs. s. c. e. e. willen n. v. L. ende in wille n. ve
4) Hs. merct 5) Vs. 115—128 luiden in L. aldus (vs. 37—50): (hs.) Roelant. was des lives goet, levens of Lievens Olivier gheradich ende vroet, Niement en mochtse vervaren, mochche verwaren
Wanneer si ghewapent waren.
Doen sprac die coene Olivier:
Lieve gheselle, nu mochdi hier ghesellen Ghescaert I. groot volc sien.
Si comen; ic en wilse niet vlien;
Ende ghine weerdet niet, Roelant, werdet (®) Te blasen den olifant! | Ten blossen Quam ons te hulpen die coninc, (0 hulpene
Dat waer ons een scone dinc. Siet al omme ende nempt ware,
Ende merket onse scare: ons 6) Hs. datmen ons ghewaghe 7) Hs. toten; L. tote en dat dunkt mij beter. / - De overeenkomstige verzen van L. (51—64) zijn: (hs.) Ee Onse menichte es cleine; was Maer ic wet wel dat God alleine ì Meer mach dan alle dit heere: Mer macht dan allen di here „Dat es ons een groote weere. grotte were
„Laet ons ons vercopen dicre” Laet ons vr.
62
II. ROELANDSLIED.
Doen sprac de coene Roelant:
„Olivier, hets so bewant, God sal onser ghewouden,
140 Wi selen den strijt behouden,
Die plaetse ende wijchstat; Die vlie heb Gods hat!’ Die Fransoyse doe seiden, Dat si opter heiden
145 Liever doot souden bliven, Dan si hem lieten verdriven.
Roelant ende Olivier, Waren coene ende fier, Si begonden hem te scaren
150 Ende die met hem waren. Die bisscop Tulpijn was haer raet;
Het was recht, sijn daet Was goet ende goddelijc Ende den vianden vruchtelijc.
155 Hi voer van scaren te scaren
Ch.
”
bh,
Ende woudese met Gode bewaren !).
Sprac Roelant tot Oliviere, „Datmen van ons ghewaghe Van nu tote doemsdaghe.” Doen sprac die coene Roelant: „Olivier hets soe bewant ,
God gal onser wouden ;
Wi willen den strijt behouden, Die plaetse ende wijchstat; Diere vliet hebbe Gods hat!’
Dire dliet hebben G.
1) Die overeenkomstige plaats van L. (vs. 65—80) luidt aldus:
Doen spraken si ghemeine, Beide groot ende cleine
Tot Roelande ende seiden, Dat si op der heiden
Liever doot souden bliven, Dan si hen lieten verdriven. Roelant ende Olivier Waren beide coene ende fier Ende begonsten te scaren Die Fransoyse, diere waren.
Die bisscop Tulpijn was haer raet:
Het was rechte; want sijn daet” Was goet ende goddelijc
Ende den vianden vruchtelijc. Hi voer van scaren te scaren Ende willese met Gode bewaren.
groet en cleijne
beij cone en fiere
1108—9. 1107.
1111?
1124?
Olivier
ghewaghen becant
wijch staet (hs.) sij ghemeijne
steden heijden.
h.
Fransoysen die waren
w’ h’ raet godelijc
woer willende
IL. ROELANDSLIED. 63
Hi sprac hen toe een sermoen !) „ 1126. Ende seidem, wat si souden doen: „del Fransoyse, lieve ghesellen, „ 1127? 160 Hoort, wat ic u sal tellen. Ghi siet, hoe dat ghescepen es: Wi sijn allen wighes ghewes. „ 1130. Nu pense ele omme onsen Heere Ende vecht allen %) door sijn eere. „ 11289 (P. 165 Hi sal onser wouden, 1745—6). Wi gullen de seghe 5) behouden. Hi doghede dor ons anxt groot | Ende ontfinc die bitter doot. P. 1757? Dies ghedinct in desen daghe 170 Ende slaet grote slaghe; Wi moghen blidelike sterven, Want wi hemelrijc verwerven
Ende ons Heeren Gods hulde. Ch. 1134—5. Nu beclaghet uwe sculde | 175 Ende roept op Gode ghenade, ___» 1132.
Dat hi ons allen berade - Ten besten op desen dach, Want hijt wel doen mach.” Die bisscop seinese allegader. 180 Ende bevalse Gode onsen Vader. „ 1137. Ende ic segghe u, waeraf Hi hem die penitentie gaf: Hi hiet hen, dat si niet en vloen, ‘Want siijt node mochten doen, 185 Ende dat si grote slaghe Souden slaen in dien daghe. Dusdane penitentie gaf hi hem daer,
1) Het sermoen van Tulpijn komt in L. dichter bij het oogspronkelijk dan in H.; daurom geef ik dit volgens den tekst van L. (vs. 81—112). De lezingen van het hs. laat ik hier volgen: vs. 157 spract; vs. 159 Fransoysen; vs. 160 Hoert; vs. 163 Lele; vs. 164 wecht a. doer s. ere. vs. 170 sclaet grotte Gn 2) 1. allene? 3) B. verandert dit te onrechte in: de stele
le overeenkomstige regels in H. luiden (vs. 54—60)
Hi seide dus: „Lieve ghesellen, Hoort, wat ic u sal tellen : - Pensen wi om de ere, Onse loen duert emmermere, Ende vecht dore onsen Here. Hi dogede vore (L dore) ons anxt groot, Ende van den Joden slage groot.
64 III. ROELANDSLIED.
Dat segghic u overwaer !). Ch. 1138 (P. 1758—9)). Olivier ende Roelant 190 Hadden die overhant, Ende trocken vort met haren scaren, Als die onvervaert waren. Roelants ors hiet Valentijf; …__Ch. 1153. En es niemen, man no wijf, 195 Die beter ors ie sach, Dan tsine was op dien dach *). Sine wapene saten rikelike Na eens coens ridders ghelike 3). „ 1154 Die edel grave Roelant
1) De lezingen van het hs. zijn: vs. 171 Wij m. blidelijc; vs. 172 wij; vs. 174 uwen; vs. 175 ropt; vs. 176 sij; vs. 179 seine allen gader; vs. 180 wader ; vs. 184 noede; vs, 185 groten sclaghe; vs. 186 sclaen; vs. 187 Dusdaene.
De overeenkomstige regels van H. zijn (vs. 61—76):
Wy mogen blidelike sterven
Ende hemelrike verwerven.
Biddet Gode genade,
Datti u berade
Ten besten op desen dach,
Want hijt wel doen mach.”
Die bisscop seinese algader
Ende bevalse den hemielscen vader. Ic seggu, waeraf \
Hi hem penitencie gaf: (hs) pennentencie Hie hiet hem, datsi niet en vloen,
Want sijt node souden doen;
Hi hiet hem grote slage
Slaen. in dien dage;
Ander penitencie gaf hi hem daer, (hs.) pennentencie Dat seggic u overwaer.
2) Hs. Dant was. 3) Dezen en den voorgaanden regel nam ik uit Le over, omdat men ze in het origineel terugvindt.
De overeenkomstige gegels van L. luiden (vs. 113—124):
Olivier ende Roelant hs.
Hadden daer die vorderhant weder hant Ende trocken voort met grote scaren ,
Als die onversaecht waren. oversacht Roelants ors hiet Volentijf, Roelant o. h. wol en stij Noyt en was man no wijf, Noet e. w.
Die soe goeden ors sach, |
Als hi hadde op dien dach. : Alst
Op dat ors was hi gheseten,
Des moghedi de waerheit weten. |
Sine wapene saten rikelike rickelijc
Na eens coens ridders ghelike. - N. e. conic (comet?) r. gelijcke
II. ROELANDSLIED. 65
200 Hadde een witte vane in de hant, Ch. 1157. Die lanc was ende breet; Fierlije hire met reet. Olivier reet openbare Alre vorst in de scare: „ 1160. 205 Die Fransoise quamen achter, Die herde node lachter Over hem souden laten gaen, Sine soudent wederstaen. Ende Roelant keerde doen ghinder, 210 Ende sprac: „mijn lieve kinder! En Laet sachter allen den stap gaen, „ 1165. Tes wit) metten sporen slaen. %) Die heden niet sal ridder sijn, Verliest die hulde mijn ' 215 Ende den loon van onsen Here. Ele pense om de ere; Die hier sterft, waerlike Hi vaert in hemelrike.”’
1) Hs. sij. 2) Vs. 209—212 heb ik uit L. overgenomen, omdat zij gedeeltelijk in het origineel worden teruggevonden. In L. leest men (vs. 125—141):
Die edel grave Roelant | hs.
‚ Voerde een witte vane in sijn hant, vorde Die lanc was ende breet; Fierlijc hi daer mede reet. fierlijc (sic) Ende Olivier reet openbaer oppen baer Talder vorst in de scaer, Talder wost Ende die Fransoyse quamen achter, B esn Die node eeneghen lachter noede eyneghen Over hen souden laten gaen, Sine souden coenlijc wederstaen. Sine en soude Ende Roelant keerde doen ghinder, Ende Olivier kerde Ende sprac: „mijn lieve kinder! Mijn l. kijnder Laet sachter allen den stap gaen, Tes wi metten sporen slaen. Tes sij m. s. sclaen Die heden niet sal ridder sijn , Verliest die hulde mijn myn Ende den loon van onsen Here. loen.
In H. vindt men in plaats van de door mij uit L. overgenomen vs. 209—212 slechts twee regels ikke II, 95—96): Roelant sprac doe Den Fransoisen aldus toe: De overeenkomstige’ verzen van L. zijn (vs. 142—159):
Nu pense ele om die eere. hs. Die sterft, die vaert in hemelrijc waert Ende wert Sinte Peters ghelije.” ghelijcke Orert ontbr.;
„9
66 III. ROELANDSLIED.
Als dit Roelant had geseit, 220 Quam een bode over gereit, Haestelike ende seide, Dat si op der heiden Si twaelf wouden vechten Jeghen twaelf Karels knechten, 225 Ende hem niemen in wederside En onderwonde van den stride. Doen sprac Roelant: „Waerlike, Wi lovent alle blidelike.” Roelant ende de sine 230 Ghereiden hem jeghen de Payne. !) Een sconinx neve quam thant Ende brochte een stoc?) in-de hant; Ch. 1188—1189. Den Fransoyen hi seide: Datti hem vele leide 235 Beraden hadde, diese daer liet, Want haers lijfs en waer niet.
Dit verhoorde die grave Roelant „ 1196. Ende liet orse lopen te hant. 5) „ 1197. Als Roelant dat hadde gheseet, Olivier
Quam een bode overghereet
Ghereden, die hem seide, Ghereeden
Dat si op die heide der heijden
Si twaelve wilden vechten …_(ontbr.)
Jeghen XII. Karels knechten,
Ende hem niement in gheender side hen n. in ghender sijden En onderwonde van den stride. 7
Doen sprac Roelant haestelike: haestelijcke
„Wi lovent alle blidelike.”
Roelant, Olivier ende de sine
Ghereiden hem jeghen die Sarrasine,
Wat si mochten haestelike
Ende trocken voort stoutelike, woert Doen quam des conincs neve voort des conic n. woert Ende sprac een overmoedich woort - ontbr.
1) Hs. pine. In L. Sarrastne.
2) Vs. 237 en 238 ontleende ik aan L., omdat vs. 238 overeenkomt met vs. 1197 van het origineel: Sun cheval brochet de ses esperuns d'or. In H. luiden deze regels (vs. 121—122): „Roelant horde de tale || Ende volgeden also wale.” In L. lezen wij (vs. 161—170): |
Want hi sede: „Dese kativen hs. Moeten hier allen bliven.” 8 Dit verhoorde die grave Roelant ver hoerde
Ende Het orse lopen te hant. 3) Vel. hij dezen regel Jonckbloet, Mnl. Dichtk. I, 260 (noot).
II. ROELANDSLIED. | 67
Ende stacken in den scilde 240 Alsoe verre, als hi wilde, Ende waerpen onwerde Doot vanden perde. Een wort en sprac hi nemmee Ende brac den hals ontwee. 245 Doen seide de grave Roelant: „Over in der duvel hant *)! Ch. 1207. Ghi beloget minen heere ®), Ende seit hem lachter ende oneere Datti ons qualike Ghelaten hadde int rike. „ 1209 (2.9) „Edel Fransoise”, seiti, „slaet! ss 12ET. Want ons te doene staet. Het hevet emmer een becocht, Die jeghen Gode heeft gewrocht.” 255 Die hertoge Franceroen,
Lo rt S
Hort, watti sal doen: „ 1213, Rouwe was in hem groot, Dat sijn neve so was doot. „ 1219.
Hi verrechtem sciere | 260 Op den coenen Oliviere Ende stac hem een gat wide Neven den halsberch aen deen side, Datter dore liep sijn spiet; Nochtan en quetstine niet. 265 Olivier riep sijn tekijn *); „ 1221.
Hi diende God gheiruwichlike, Want hi stac den coninc rike
Met Sinte Joris vane Sintte Joris wane Dor scilt ende buuc ic wane, ontbr. Dat hi doot viel op dat sant. hij doot wel
lis
‚Nu over in der duvel hant Sprac Roelant; Turpijn riep: „Monyoye! Ren T. r. Moy oyoe
VgL over dezen laatsten regel bladz. 15 noot.
1) Hs. de duvel. In L. leest men op de overeenkomstige plaats (Borm. I, 170): ‚Nu over in der duvel hant.” Men vergelijke bij dezen regel het stuk van Verwijs, T. en Lettb. II, 214. 2} Vs. 247—284 ontbreken in la. 3) Il fist que pruz qu'il nus laissat as porz.” 4) In het origineel is het juist Franceroen, die „sijn tekijn”’ roept (vs. 1221 —1223): E si escriet Yenseigne paienur.
Envers Franceis est mult cuntrarius:
„Encoi perdrat France dulce s'honur.” Vs. 266 van de Mnl. bewerking toont echter aan, dat Olivier hier bedoeld is. Men zou kunner "neenen, dat vs. 257—270 in deze volgorde moeten gelezen worden: 257, WB, 266, 265 (dat dan zou moeten luiden b.v: „Tmde riep hi sijn tekijn®® en ‘Lrarna de overige verzen.
68
270
215
280
285 .
290
295
t
III. ROELANDSLIED.
Hi pensde, het soude gewroken sijn.
Hi vermat hem waerlike: Dat soete lant van Vrancrike Sijn eere soude verliesen Ende si alle die doot kiesen. Olivier hads toren,
Ende rechten op te voren.
Hem geviel die avonture !). Dat hine stac aldure,
Ende viel ter erden neder; Nemmer stontti op weder. Doen sprac de coene Olivier:
„Wine vruchten niet u dreigen hier.’
Cursubles die coninc,
Dats waerlike dinc,
Was van Berberien geboren ;
Hi dedem inden wijch te voren. Lude sprac hi ten Sarrasinen : „Ghi heren met cleinder pinen ?)
Tulpijn riep: „Monjoye !” Meneghen heidene te vernoye. Des verbouden hen die Franken 3), Dats hen Gol mochte danken.
De fransoys Eggherijn *), Ghebenedijt moet hi sijn,
Hi stac Malaprise soe wel 5), Datti doot ter eerden vel.
Die ziele 6) hadde Satanas,
Alsoe saen, als hi doot was. Ende Sampsoen sloech Almorise, Dat hi sterf in dien pongise.
Oec sloech hi meneghen ter neder,
‘Die niet op en rechte weder.
Ch.
;
»
1223.
1224.
1261. 1267. 1268.
1275.
1) Hs. die ontbreekt; door Bormans ingevoegd. Deze toevoeging van het lidwoord komt iderdaad zeer dikwijls voor, indien een consecut. zin volgt. Vgl.
\Wdb. 1. v. I, 493.
Hs. zielle.
2) Hier vertoont H. eene gaping ;
Maul.
vs. 285—300 komen weer alléén in L. voer. (Vgl. de noot op bl. 41, waar over vs. #5 gesproken „ordt. 3) Hs. Francoyesen. 4) Hs. Eggerin. 5\ Hs. staec Maër prise.
III. ROELANDSLIED. 69
Antorine die heere wise, 300 Verrechte hem op Torgise t) Ch. 1282.
(FRAGMENT R).*
Doen si te gadere quamen Vgl. Ch. de R. ed. Th. Ende ele anderen vernamen, Müller, bl. 170, V. Ele daer anderen bat, „In la grant pre-. Niet te sceden optie stat. sia” etc.
; 305 Si lovedent 5) herde snel;
Ele ghetruwde anderen wel. Doen mocht men mansdaet sien 4) Van 5) hen tween daer ghescien. Ch. 1680—1681. Die bisscop soe sere vacht ®, |
310 Dat ”ie man selke cracht %) , En mochte volleesten „ 16821685. (Dus tellen ons die gheesten) 8) Vander payene lant.
9 De Roelant vernamt sciere ‘KX Ende riep op Oliviere: „ 1691—1692. 315 „Gheselle,”’ seyt hi, „ghetrouwe, „ 1693. / Hier es ghesciet g#roet rouwe, | af Dat Vranckerike clagen mach „ 1695.
Van nu tote doemsdach ;
Want hets jammer groet 320 Van desen, die hier ligghen doet. „ 1604.
Ay! sprac Olivier oppenbare: |
„Oft die keyser nu hier ware! 10)
Hi soude ons soe wreken,
_Men souder ewelike af spreken.” 325 — „Olivier, seyti, minne !1),
Hoe selen wi heghinnen? „ 1698.
1) Hier is eene gaping in Lu, die overeenkomt met vs. 1283—2095 van het origineel. R. voorziet gedeeltelijk in die leemte; de eerste verzen komen echter niet met O., wèl met V. overeen. 2) Bormans, bl. 158; Vad. Mus. II, 50.
3) Hs. bilovede. 4) Hs. daer mach man doer heren sien. 5) Hs. han. 6) Hs. d. hirscop s. s. hacht. 7) Hs. nie ontbr. 8) In het origineel leest men, dat de bisschop vele vijanden doodde: „Co dit la geste, plus de IIII. miliers.” 9) Hier zijn eenige regels weggevallen, overeenkomende met vs. 1686—1690 van het origineel. 10) Het hs. heeft hier: „Echt s. O. o. || Alse die te vechtene hadde gare” De laatste regel past hier niet; deze en andere lezingen nam ik van Bormans over. I1) Bormans wil hier lezen: „Olivier, wijs van sinne”. Maar behalve dut dr”
70 III. ROELANDSLIED.
Hoe moghen wi hen doen verstaen, Ch. 1699. Dat het ons qualike es vergaen ?” !) O grote oetmoede %)
330 Es ons comen tongoede;
Die Fransoyse selen hier sterven „ 1726. Bi u ende bederven. Die coninc Kaerle, ons heere, Heeft verloren emmermeere 335 Beide hulpe ende raet; „ 1727.
Dat heeit ghedaen w toeverlaet 3); U ecoenheit selen wi becoopen, s Hist, Wine moghent ontriden noch ontloopen; Wi moeten alle die doot kiesen. 340 Vranckerike sal sijn eere verliesen!’ „ 1734. -_Tulpijn hevet ghehoort Van hen beiden dese woort; „ 1737. Darewaert hi sere*) doe reet ; „ 1738. Want die tale was hem leet. 345 Hi began daer castien 5) „ 1738. Olivier den ridder, den vrien : Hi seide, dattet Gode afdochte, Dat men daer ave spreken mochte: „Wi selen onlanghe leven; 350 Dese werelt moeten wi begheven; Wi mochten ®) blidelike sterven, Want wi hemelrike verwerven. Dblasen en can nu vromen niet, _ Datter ons goet af ghesciet. „ 1742,
lezing op zich zelf reeds geene aanbeveling verdient, is de lezing van het hs. zeker wel te verdedigen. Vs. 325—328 zijn de woorden van Roelant, die hier sprekende wordt ingevoerd. (Vgl. dergel. voorbeelden in Jonckbloet's Mnl. Ep. Versbouw, bl. 149—152 en hier: Wisselau, vs. 28 en Flovent, vs. 350). In vs. 329 begint Olivier te spreken.
1) Hs. dat haer wille sal vergaen. 2) Hier en elders, waar alleen de afwijkingen van het hs. in de noten worden medegedeeld, heb ik de noten niet genommerd , maar slechts de verzen vermeld, waarvan sprake is. Vs. 330 hs. tonguede. Bormans verandert dezen onverstaanbaren regel in: „U weigheren met overmoede”, dat echter bezwaarlijk eene Mnl uitdrukking kan zijn geweest. Lees: U grote overmoede?
Vs. 336 hs. d. h. g...…. aet; 337.U. c.s. w...…. s 8388 hs. .... me mog hen Orks der... pen; 339 hs... en allé die doet diese; 343 hs. te hare hi sere toe reet; 344 hs. W.d. alle w. hen leet; 345 hs. hi lie... ; 846 Olivier... 347 ontbr.;-
353 hs. Dblasen en hebt vernomen niet.
3) Toeverlaet is cen te modern woord en heeft in geen geval de beteekenis van: zelfvertrouwen. L. baraet (in den zin van: overmoedige taal en gedrag; Vgl. Mnl. Wdb. i. v. sub 5). 4) Onnoodig verandert Bormans sere (hard) in sciere. 5) Borm. te custien. 6) Borm. moghen, evenals in 362: moghe.
II. ROELANDSLIED. 41
355 Hets te spade begonnen; Eer wi Kaerlen ghewonnen, Ende der Fransoyse cracht, Het soude wesen donker nacht. Nochtan waert goet ghedaen ; Ch. 1743. 360 Kaerle sal comen saen, Ende ons soe diere wreken, … 1744. Dat men daer ave mochte spreken. Ende!) sal ons vele werde Doen graven in die erde, „ 1748—1750. 365 Dat ons wolf no hont En slicke* in sinen mont.” se Hol, Roelant antwerden ghereit: / „Heere, ghi hebt waer gheseit.’’ „ 1752. en A Doen sette Roelant 370 Te monde den olifant, ss Lind, Ende blies met groter cracht Ende. met al siere macht.) „ 1757. Kaerle horet ende sine ghesellen, „ 1754. Dat willie over waer tellen. 375 Doen sprac Kaerle die heere: „ 1758. „Hier en es gheen twifel meere, Ie hore wel, dat Roelant Dor noot blaest den olifant. Hi heeft strijt vernomen „ 1758. 380 Ende wilt, dat wine te hulpen comen. aM sen arseen ont ene vremde .. .*); Ghi kint Roelant so wale!” „ 1759-1760? Anderwerf blies Roelant Met groter cracht den olifant, „ 1761-—1762. 385 Dat hem ter selver stonde | ) Tbloet ran uten monde.) „ 1763.
Vs. 361 hs. E. hem s. d. w.; 366 hs. En slics; 380 hs.stons; 384 hs. met bloedeghen monde: dat aan vs. 406 ontleend is; het Fransch heeft dan ook slechts: „par peine et par ahans”.
1) Borm. Mi. 2) L. slite (verscheure)? 3) Na vs. 372 volgen in het hs. nog deze vier verzen, die ik met B. als een inlapsel weglaat:
Nochtan waert goet ghedaen, 5 Kaerle sal comen saen,
Dat enich man dade,
Hem ware God bi sire ghenade.
4) Aldus het hs. Borm. vult aan: „Mi spreect u mont ene vremde tale”. Het is mij niet duidelijk, wat hier moet staan.
5) In het hs. volgen na vs. 386 nog deze vier regels, die licht als een inlapsel
12 III. ROELANDSLIED.
„Noyt blies,” sprac Karel, „die ghenoot *)
Oft en ware in wighe groot.” %) Ch. 1769.
Guweloen antwerde gaf, „ 1770. 390 Als diene bringhen wilde daer af:
„Heere, ghi sijt out van daghen, „ 1771.
Hoe moghedi des ghewaghen ? %)
Hi wil over al hebben bedwanc; „ 1773?
So won hi Nobels 4) an uwen dance. „ 1775. 395 Hi hiet uut comen die Sarrasine, „ 1776.
Dien hi dede sware pine: Hi dwoech sijn arme inden bloede 5);- „ 1778. Ende al van groten overmoede Rest hi nu met scerne groot 400 Onder alle sijn ghenoot. „ 1781.
kunnen worden herkend; het origineel heeft niets, dat hiertoe aanleiding kon geven: Dat was waerlike dinc Dat hi daer die doet ontfinc Ende alle die baroene Ende menich ridder coene.
Vs. 387 ontbr. in het hs; 389 hs. Roelant; 894 hs. .... aste hi N. a. u. d.; 395 hs. ...luut quamen S.; 396 hs. ....ten hi d. p.; 399 hs. Hi reet.
1) Bormans: die fiere ghenoot. 2) B.: „Sijn hoorn, hen ware i. w..g.” De lezing van het hs. geeft echter ook een goeden zin en is daarom te verkiezen.
3) In het hs.\gaan aan vs. 391 nog deze regels vooraf, die eveneens als een inlapsel zijn te begchouwen:
Dat hijs geloven niet en soude, Ende vermaenden siere oude: „Heere, ghi sijt out van daghen; Hoe moghedi des ghewaghen, Ende vermaenden siere oude: In het Fransch vindt men alleen (vs. 1770—1771): Guenes respunt: „De bataille est nient. Ja estes vus vieilz e fleuriz e blancs, __en deze regels zijn reeds in vs. 389391 weergegeven.
4) Deze stad wordt o. a. genoemd in een overzicht der Ch. des Saxons (eene oudere bewerking dan die van Jean Bodel): „Charles est devant Nobles: il apprend, que Guitalin (Wittekind) vient de brûler Cologne; il se resout à lever le siège, qu’il avait commencé. Roland se refuse à abandonner de la sorte une conquête presque assurée; I'Empereur furieux, lui donne un coup sur le visage, puis se hâte de mar cher vers Cologne....... Le fiancé d'Aude emporte la ville de Nobles et arrive à Cologne etc.” (Vgl.: Les Epopées Frangaises, t. a. p.) Daarop hebben dus vs. 394—397 betrekking.
5) Ik vermoed, dat het vers bedorven is, of dat de vertaler er maar wat van heeft gemaakt. In het origineel wordt verhaald, dat R. water over de met Sarraceensch bloed gedrenkte velden liet loopen:
Puis od les ewes lavat les prez del sanc; Pur ce le fist, ne fust aparissant.
EE EN EEN k nf hed nihiel NR ett ied Te RD er ide ek ie O8
„pms UI. ROELANDSLIED. he Twi beidi hier ende en vaert? Ch. 1783. Hets quaet, dat ghi iet spaert; „ 1788. Lantmayoer es verre voren; „ 1784. ) / Verstaet, so moghedi horen.” !) X | 405 Derdewerf blies Roelant id Met bloedeghen monde den olifant „ 1785.
Vs. 401 hs. Twi, seiti, ghi en waert; 403 hs. Hautmayoer{(Fr. Terre Majur, d. i. Frankrijk); 404 B. wil hier lezen: „Verre staet, soe moghedi hooren” en legt dat vers aldus uit: Verre staet het (ligt het, te weten Lantmayoer)...., daerom moget gij naer mijnen raed luisteren!” Ik vind deze verklaring zeer gewrongen, maar erken, dat ik niet weet hoe het vers terecht te brengen. Misschien een stoplap; het is waarlijk niet de eenige; 405 hs. bries.
1) Bormans slaat voor vs. 82— 184, in deze uitgaaf vs. 376—478, geheel anders te rangschikken. „De ware rangschikking”, zegt hij, „zou wezen als volgt: vs. 82—86; 181184; 87—88; 109—116; 89—92; 97—100; 105—108; 117—120 (in deze uitgaaf dus: vs. 376—380; 475—478; 381—382; 403—410; 383—386; 391—394; 399— 402; 411—414) enz.” Hij laat dat gedeelte alzoo omgezet volgen. Hij schijnt bij die bewering echter geene rekening te hebben gehouden met het origineel, want daaruit blijkt, dat de volgorde dier verzen in het hs. juist is, al is de geheele plaats zeker verknoeid. Ik laat hier de overeenkomstige plaats der Fransche Chanson volgen :
Go dit hi reis: „Bataille funt nostre hume.” E Guenelun li respundit encuntre: 1760 „Se l'desist altre, ja semblast grant mencunge.” Aoi. CXXXVL Li euens Rollanz par peine e par ahans, ‚ Par grant dulur, sunet sun olifan; Parmi la buche en salt fors li clers sancs, De sun cervel la temple en est rumpant. 1765 Del corn qu'il tient Y'oië en est mult grant; Carles l'entent, qui est as porz passant, Naimes l'oïd, si l'escultent li Franc. Go dist li reis: „Jo oi le corn Rollant; Une ne l'sunast, se ne fust cumbatant.”” 1770 Guenes respunt: „De bataille est nient. Ja estes vus vieilz e fluriz e blancs, Par tels paroles vus resemblez enfant. Ásez savez le grant orguill Rolant; Go est merveille que Deus le soefret tant. 1775 Ja prist il Noples seinz le vostre cumant ; Fors s'en eissirent li Sarrazin dedenz, Qui cumbatirent al bon vassal Rollant, 1l les ocist a Durendal sun brant. Puis od les ewes lavat les prez del sanc; Pur ce le fist, ne fust aparissant. 1780 Pur un sul lievre vait tute jur cornant; Devant ses pers vait il ore gabant. Suz ciel n’ad gent l'osast requerre en champ. Car chevalciez! Pur qu’alez arestant ? Terre Majur mult est luinz ga devant.” Aoi.
t
14 II. ROELANDSLIED.
Met alder cracht, die hi mochte, Dat hem die tempel scoren dochte!). Ch. 1786. er Derdewerf horet die coninc, „ 1788. 410 Dats waerlike dine; Hi sprac: „Ic hebbe wel verstaen, Dat met Roelant qualijc es gaen.” Bi der derde werf dat hi blies Ducht/ Roelands verlies. 415 „Ie wane, hi langher niet mochte Blasen, alse mi dochte, Sijn adem mochte niet langher duren ®); „ 1789. Hi es van den live in avonturen.” Die hertoghe Naymes sprac doe 420 ErJiken®) sijn geselle toe:
} 4 „Heer coninc,” seit hi, „Godweit! nnen ...ret), ghi hebt waer gheseit…”’ Die coninc sprac: „Ghi seyt waer.” Guelloen dedi vangen daer, „ 1816.
425 Verradenesse optie hant 5). Doe wert Guelloen ghescant, | Dat men den eoken beval ter vaert. …„ 1817. Men sloechen ende trac sinen baert; „ 1823. Si bondene als enen bere met ringhen, „ 1827. 430 Ende daden eenen somer bringhen, „ 1828.
Ende settene daer op onwerde „ 1828. Ende voerdene seere herde, Des si en leverden den coninc, „ 1829.
Dats waerlike dine 6).
Vs. 408 hs. scorren; 413 hs.die hi; 414 hs. R. duchte ferlies; 419 hs. Naymes ontbr.; 427 hs. lokel; 428 hs. Ende men trac; 429 ontbr. Het Fransch heeft: „Si l'encaeinent altresi cum un urs…” 480 hs. Ende daden in som ‘dinghe; 432 hs. Ende voerdenest; 433 hs. Des si en Ul, coninc.
1) „De sun cervel rumpuz en est li temples.” 2) Ik vermoed, dat de vertaler hier de woorden van Karel: „Cil corns ad Junge aleine!” zoowat op de gis vertaald heeft. 3) Borm. verandert hier de lezing van het hs. op deze wijze: „Kaerle ende sijn ghesellen toe.” Deze verandering is echter onnoodig. Wel kan het eenigszins vreemd schijnen, dat Karel Naymes’ „geselle” wordt genoemd, doch men lette er op, dat de bewerker er het woord „erliken” bijvoegde. 4) Borm. wil hier lezen: „Keerwi”; 1. Here?
5) Zeker is dit vers bedorven, maar hoe het te herstellen? Trouwens de geheele plaats is zeker niet in orde. Ik vermoed, dat vs. 425—426 nog tot de woorden van Naymes hebben behoord; deze immers brengt den keizer op de gedachte van verraad ; in het Fr. zegt hij: „Cil lat traït qui vus en roevet feindre” en het is bovendien ook wel waarschijnlijk, dat (misschien na vs.422) eenige regels zijn uitgevallen ; men vergelijke de aangehaalde vss. van het origineel.
6) Na vs. 434 volgen in het hs. nog deze regels, die als inlapsel geschrapt kunnen
<
worden:
II. ROELANDSLIED.
435 Die Fransoyse doe spraken: „Mochten wi Roelant ghenaken, Soe wine levende vonden, Wi souden slaen diepe wonden.” Maer si duchten stranghe,
440 Dat si merren souden langhe. Si saghen na die sonne; Si baden Gode, dat hi hen onne, Dat si daghes hadden meer Om te wreken haren heer.
445 Kaerle reet al dat hi mochte In sereghen ghedochte;
Ende die hem reden naer, Dreven groot mesbaer. Si maecten passen (?) overal
450 Beide op berch ende in dal. Sine wouden niet liden,
Daer men omme moeste riden. Doe sprac Kaerle die vrie: „Nu helpt, Sente Marie!
455 Dits mè van Guelloen comen, Dat hebbie nu wel vernomen. Die scriftuere vertellet ons wel *), Dat sine vorders waren fel.
Si sloeghen den keiser Juliene,
460 Dat groot tamer was te siene.
Die en heves niet vergheten , Ghelijc sine liede weten,
Daer si hem helpen seere,
Ende bescudde Kaerle den heere Ende alse die heeren dit vernamen, Reden si alle tsamen
Striden opten luut van .. onie
Reden opten luut van ..onie.
75
. 1803.
1804. 1805.
1806.
Vs. 437 hs. doen sine lev. v.; 4388 hs. Vlieden s. d. w.; 439 hs. stucten; 442 hs. st
seiden ;
omme mochten riden; 455 hs. nu; 460 hs. moert. 1) Aan dit vers gaan in het hs. nog deze 4 regels vooraf:
r
Die verrader Guelloen
Sprac: „Here, wat wildi doen? Hadt I. ander gheseit,
Ie hielt over loghen ghereit.”
444 hs. om te wiekene heer; 445 hs. dare r. 451 hs. beiden;
452 hs. daer
Deze regels behooren in elk geval niet hier te staan; misschien na vs. 380, want de 2 laatste verzen komen overeen met vs. 1760 der Ch.
76
III. ROELANDSLIED.
Int capittel 5) te Rome sijt daden, Daer si den aenslach hadden beraden ; Ende vermordene sciere,
Ende worpen in enen viere 2)”
465 Hi hadder twentich dusant Ch. 1919.
Met hem bracht int lant.
Si waren swert als aterment „ 1933.
Ende ru als I, rent, Beide anscijn ende hare hande,
470 Mâer wit waren hare tande. „ 1934. Als ic hebbe vernomen, Waren si nu te wighe comen. „ 1920. Haer teiken si riepen, „ 1921.
Ten Fransoysen si liepen. 475 Doen sprac die grave Roelant:
‚Nu wert ons martyrie te hant. Ch. 1922.
Wi moeten ons vercoopen soe,
Dats onse viande werden onvroe. „ 1924.
Edel Fransoyse, penst om die eere; 480 Wi vechten met onsen Heere! Wi selen dorebreken
Ende onse ghesellen wreken. „ 1926.
Nu hoch! nn ®) edele Vranken,
Vs. 462 hs. daer sie gheslachte hadde verraden; 464 hs. ene wiere; 476 hs. marciele; 478 hs. dat o. v. werden vroe. vertaler de beteekenis van de woorden: „In capitoille de Rome”
1) Dat den
onbekend was,
kan ik bezwaarlijk gelooven; dat hij ze weergeeft met:
„Int capettel
te Rome”, mag zeker als cen bewijs te meer gelden voor mijne EE dat wij met het werk van een’ geestelijke te doen hebben. 2) Deze uitval tegen Guelloen komt niet in de Oxfordsche redactie, wel in V. en
P. voor; ik deel haar hier naar V. mede (in onzen tekst vs. 453—464):
3) Borm. verandert: woorden dan door: mij niet duidelijk ;
Co dit li roi: „Sancta Maria aiue! Per Gainelo gran pene m'e cresue!
In veille geste est mis in scriture,
Ses ancesur firent ingresme fellune,
E fellonie tut or ave in costume;
In capitoille de Rome ca’n fe une, Jullio Cesar ongient il per ordure, Pois oit il malvas(e) sepolture ,
Chi in fogo ardent et angosos mis fure.
Liever bepaal ik mij tot een „non liquet”.
Nu hooch! ghi edele Vranken”, en verklaart de twe ee eerste houwt (Ferez Franceis!). Welke gronden hij daarvoor heeft, is ook klinkt zijne verandering mij te nieuwerwetsch en te Duitsch.
} an.
HI. ROELANDSLIED.
Dats u God moete danken !’’ 485 Doen sprac die coene Olivier: Wine duchten niet u dreyghen hier. „Ele besta hondert man.” Doen reden si coenlike an. Alse die Sarrasine worden gheware, 490 Datter Fransoyse scare
Was alsoe cleene, Ch. 1940. Spraken si ghemeene | Lachter den coninc des, „ 1942. | Dat hi ghevloen es. \ 495 Galifer sat op een ors starc, „ 1943. Het was weert menegher marc. Hi was een overdadich man; Oliviere reet hi an, Ende stacken ten rugghe in „ 1945. 500 (Dat was een vreselijc beghin) Dat spere ter borst uut quam. „ 1947. Als Galifer dat vernam, „Vrient” seiti „du best gheraect; „ 1948. Bi u wert nemmer wijch ghemaect. 505 Die coninc liet u qualike hier.” „ 1949, — „Du lieghes,”’ sprac Olivier! Hautecleer hi verdroech, „ 1953. Galifer hiere mede sloech, __„ 1954. Ende cloofden teenen slaghe 510 Thooft al totten craghe 1). „ 1956. Olivier sprac mettien : „ 1958. „Leet ghesciede di, felle payen! „ 1958. Dune beroemes di nemmermeere „ 1961.
Dattu den keiser minen heere 515 Ken dachvaert scade hebs ghedaen. *) God dance, hets di anders vergaen !”
Vs. 487 hs. Als besat hondert man; 493 hs. Hachter; 498 hs. 0, sere r. h. a.; 516 hs. hets die soe v.
1) In het hs: ende cloefden t. . . . » « ene
thoeft al toten . . . . . eme De rijmwoorden zijn das zeker andere geweest, dan die welke B. invult.
2) Vs. 512—515 zijn door B. aangevuld, ‚daar ze in het hs. ontbreken. Hij ontleende deze regels aan het Volksboek. (Voor vs. 514 leest men dáár vs. 1091: „Dattu den coninc onsen heere”) In het Fransch lezen wij (Gautier, CLXXIII. vs. 1958):
E dist après: „Paiens, mal aies tu! Ico ne di Carles n’i ait perdut.
494 hs. dat hi dien g. es;
EN
18 \ III. ROELANDSLIED.
Olivier was ghewont, Dat hem die doot was cont.) Ch. 1965 | — „Ey Roelant, ic sal w ghebreken ;
520 Lieve gheselle, helpt mi wreken !” „ 1964. „Ay gheselle, staet u alsoe,
Sone werdic nemmermeer vroe; Wisten mi, ic galne slaen, Die u dit heeft ghedaen”
525 — „Over hem willie niet claghen, Ie hebben toten tanden geslaghen…”’ 5) Soe lange si beide vochten,
Dat Olivier nemmer en mochte. Doen sprac hi openbare:
530 „Lieve geselle comt hare! „ 1976. Wi moeten met rouwe sceden !” „ 1977. Doen ontvielen de tranen hem beden Uten ogen haestelike,
Ende weenden bitterlike.
535 Oliviere verseerde sine wonde,
Dbloet ran hem uten monde, „ 1980?
Ne à muillier n’à dame qu’as veüt Nen vanteras el’regne dunt tu fus Qu’ Carlun aies un sul denier tolnt, Ne fait damage ne de mei ne d'altrui.” Vs. 518 hs. was ane; 519 hs. u ontbr; 521 hs. avet u. a.; 523 hs. wistent. 2) Het hs. heeft hier nog deze 2 regels, die ‘ik als een inlapsel weglaat: „Doen riep die payen te hant || Helpt Mamet! war heeft... ig 3) Hier vangt H. weder aan (Borm. bl. 143, vs. 171; Vad. Mus. II, bl. 57, vs. 254), dat ik hier liever volg dan de bedorven Rijselsche fragmenten. Vóór vs. 527 gaan nog deze twee regels, welke minder in den samenhang passen: „ele moort was nie ghewrocht || Noch ridder soe diere vercocht.”” De overeenkomstige verzen van R. luiden overigens: Si streden met coenen ghedochte Tes Olivier nemmeer en mochte. Doen sprac hi oppenbare: „Gheselle Roelant compt bat hare, Wi moeten met rouwe sceden.” Doen ontvielen die tranen hem beden Uten ogen haestelike ende weenden bitterlike. De overeenkomstige regels van R. luiden (vs. 263—278): Oliviere verseerde sine wonde, Tbloet ran hem uten monde. hs. Hi wert bleec ende ongheduen, Alse die ter doot waert gaen,
HI. ROELANDSLIED.
Ende viel in onmacht thant.
Doen sprac die grave Roelant:
„Hulpe God, lieve here, ú 540 Ie vruchte dat beten sere,
Betic van minen orsse neder,
In commer niet op weder.
Ay, lieve geselle Olivier,
Moeten wi nu sceden hier, £ 545 Dat es mi de droefste dach,
Die ic nie met ogen sach !
„Ay! Vrankrike ,” sprac Roelant, Ch. 1985.
„Hoe seere sidi ghescant ! EE 1985. Karel verliest nu, ons heere, 550 Datti wel claghen mach zeere!” „ 1987.
Van den rouwe die hadde Roelant Viel hi in onmacht thant; „ “1988. Maer sciere hi bequam, Doen sach hi ende vernam 555 Olivier ten wighewaert gaen, Die van der onmacht was opghestaen. Hem waren verdonckert daer Die oghen scoon ende claer; „ 1991. Nochtan dedi groot ghenent, ’ 560 Ende ghine vechten al blent. Die edel grave Roelant Volghede Oliviere thant Ende nam sijns ware In der Sarrasine scare.)
Ende viel in onmacht thant.
Doen sprac die grave Roelant:
„Wat sal ic doen, edel heere?
Ie vruchte dat beten seere. bitter
Ie gal te hant bliven doot,
Al en haddics anders .gheene noot.
Betic van den orse neder,
In quam er niet op weder. er ontbr.
Ay, soete gheselle Olivier,
Moeten wi nu sceden hier? NU
Dat es mi die droefste dach, dats nu d. droefde
Dien ic nie met oghen sach; nie ontbr.
Vs. 542 he, Ie,
IJ) De Overeenkomstige verzen van R. (vs. 279—292): Kaerle verliest heden seere, hs. % Dat hem gaet ane sijn eere!” Van den rouwe dien hadde Roelant, Vr. die h. R. Viel hi in onmachte te hant;
80 III. ROELANESLIED.
nd
X 565 Als Olivier vernam, Dat Roelant bi hem quam, Gaf he hem eenen slach, Dat hi en hoorde no en sach. Doe sprac die grave Roelant
570 Tote Oliviere te hant: — „Lieve gheselle, waerbi, Soe hebdi geslaghen mi?” — „Lieve gheselle, inne sie u niet; Mi es leet, dat mi es gesciet.
575 Verghevet mi dor Gods eere, Want het rouwet mi harde zeere.” Doen sprac Roelant: „Olivier, Ie vergheeft u gherne hier.” Olivier neech hem dor dat
580 Ende trac achter een luttel bat,
Maer saen hi bequam, Doen sach hi ende vernam Olivier ten wighe gaen, Ende grote slaghe slaen, Sijn oghen scone ende claer
Waren hem verdonckert daer. Hem waren v. d.
Die edele grave Roelant Volghede hem te hant,
Ende nam sijns ware sijn invare In der Sarrasine scare. Fransoyse
Vs. 567 hs. Gaf hem Olivier een slach; 578 hs. ne sie. De overeenkomstige verzen van R. luiden (vs. 293—308): hs. Als Olivier vernam Roelant
Ch.
Dat Roelant bi hem quam, hi bi Olivier
Gaf hem Olivier eenen slach, Want hine niet en sach. hijs Doen sprac die grave Roelant
Tote Oliviere te- hant:
— „Gheselle, ic en sie u niet; Mi es leet, dat u es ghesciet: Verghevet mi door die Gods eere,
1994— 1995. 1999.
2000. 2004.
2005.
2006— 2007. 2008.
Want het rouwt mì herde seere.” rout mi sere
— „Gheselle,” riep Roelant sciere, „Ie vergheeft u dore God hiere.” Olivier neech hem door dat,
Doen trac hi achter bat,
Want hem porde die doot,
Die hem dede auxte groot.
HI. ROELANDSLIED.
Want hem porrede die doot, Die hem dede pine groot. Hi viel neder op die eerde, Ende bat Gode weerde:
585 „Heere, vergheeft mijn mesdaet, Ende hebt mijnre zielen raet; Wilt haer verleenen hemelrike,
Want ie u ghetrouwelike ì Ghedient heb al mijn leven.
590 Noyt en woudic u begheven.” Doen benedidi Kaerle den heere, Ende dancte hem alder eere, Die hi ye van hem ghewan, Ende Roelant boven alle man.
595 Sijn hande hi ten hemel stac; Daer na hi nemmeer en sprac. Dus bleef Olivier doot. Roelant hads rouwe groot, Ende weende herde seere,
600 Ende bat onsen heere,
Datti der zielen pleghe Ende ten hemelrike gheweghe.!) Van rouwe die hadde Roelant,
menne Viel hi in onmacht thant.
Vs. 583 hs. op erde; 587 hs. hare.
Ch. 2010. 2013.
bh,
n
2014.
2016.
2017.
2018. 2015.
„ 2031.
81
1 De overeenkomstige pláats in R luidt (vs. 309—328): Borm. bl. 165, Serr. bl. 59.
Ilem quam groot vernoy voren; Hine mochte sien no horen. Hi viel neder op die erde:
‚ Ende anebede Gode werde: „Heere, vergheeft mi mine mesdaet, Ende hebt miere sielen raet; Verleent mi hemelrike, Want ie u glietrouwelike
„Ghedient hebbe al mijn leven,
Ende ic u noyt en woude begheven.…’
Doe benedidi Kaerle, sinen heere, Ende dancte hem om alle de eere Die hi nie van hem ghewan, Ende Roelant voor alle man, Ende viel ter erden doot.
Roelant hadde des rouwe groot
Ende werde . . . . vele sere Ende gaf Gode, onsen here, Dat hi ke an es ve
hs. grotelike
9
onsen in grote
pf mn UI. ROELANDSLIED.
605 Als hi bequam, haddi toren: Alle die sine haddi verloren Sonder Gautier ende Tulpijn van Riemen. Ch. 2039. t) Doen sprac Gautier sniemen, Als hi ghevloen quam 610 Ende hi Roelande vernam:
„Nu helpet mi grave Roelant, „ 2045. Hets also met mi bewant, Doorsteken ben ic ende ghewont „ 2052.
Toter doot, dat si u cont; 615 Grote mort es hier ghewrocht,
Dat hebben si diere becocht.” … 2053. Doen dit sprac die wigant, Verkinden de grave Roelant. „ 2054.
„Gautier” seidi, „sidi dat? 620 Ie hebbe u in meneghe stat Herde manlike ghesien, Maer noyt en woudi vlien.” — „Soe en haddic nu ghedaen; Ie wille bi u sterven gaen” 625 — „Seght, waer sijn onse ghesellen, Vgl. hier V. niet Condire ons iet af ghetellen ?” O. Müller p. 218 %).
Vs. 606 hs. Datti Oliviere h. v.; 610 hs. Ende hi den grave R. v.; 611 Nu hort hier. De overeenkomstige plaats in R. heeft (vs. 329—346) : Dat ic leve . . … . groot mijn ghe . . . u doot, Roelant viel doe al overweldich eyde vro. . . cht
Sonder Gautier ende Tulpijn van Riemen. hs. Doe sprac Gautier sniemen ; ontbr. Doen hi gevloen quam
Ende Roelande vernam,
Ende seide: „Edele grave Roelant, hi seide
Die doot es m2 becant, u
Bi u willie sterven nu;
Ic waest, die verwan Maelgu, Je was d. v. Ferragu Ch. 2047 Dumes neve metten baerde. darden
Ic hebbe gevochten haerde. Du heves mi dicke bekint, 2049 Door dat was ic van di ghemint. 1) Mort sunt Franceis, tuz les i ad perdut Seinz lArcevesque e seinz Gualtier de "Hum. 2) Mille chevaler ne menastes vaillant IN er à moi, per go les vos demant Rendez li à moi etc.
HL ROELANDSLIED.
83
— „Ja ic, si hebben ons begheven,
Finde sijn alle doot bleven !).
Ghine gietse levende nemmermeere
630 No die coninc, onse heere.” Doen horte dors Roelant, Ende riep: „Monyoye!” thant. In die porsse hi reet, Na die viande hi smeet.
635 Daer hi quam in groter noot; Sijn gheselscap was niet groot:
Ch. 2057.
Hem volghden Tulpijn ende Gautier,
Vs. 630 hs. den; 635 hs. daer hijt vant;
637 hs. volghde.
1) De overeenkomstige regels van R. luiden (vs. 347—362): Borm, bl. 166 ; Serr. bl. 60.
Si hebben ons ter doot brocht, Maer si hebbent diere becocht.” Doen hi dit sprac te hant, Herkendene Roelant, Ende reet hem jeghen, Alse die sijns wilde pleghen. „Gautier” seidi „bestu dat? Ic hebbe di te menegher stat Harde mannelijc ghesien, Ende noyt en woutstu vlien.” — „Sone haddic nu ghedaen; Maer ic wille bi u sterven saen.” Roelant sprac: „Van onsen ghesellen Moghedire mi iet af tellen ?"° — „Ja ic, si hebben ons begheven Ende sijn alle doot bleven;
In R. leest men vervolgens: (vs. 363—-379) Ghine sietse levende nemmermeere No die coninc, onse heere. Wi bestonden bataelgen groot, Daer si alle bleven doot. (Maer eer si daertoe waren brocht, Hebben si hem diere vercocht) Mijn halsberch es gescoret al; Ic weet wel, dat ic sterven sal.” Onder die Sarrasine hi reet, Ende volghede Roelande ghereet (Doen sprac Roelant: Wouter in der duvel hant!) Tulpijn ... er gro.....e Ende re ... ere ..... de Doen seiden die Sarrasine : Dese doen ons in scine. Ende Roelant .. ........
Hier eindigt R,
hs.
a...0U dt ontbr.
woud
moghedijt
hs. siese Ja die c. onsen bostenden betaelgen
Maer ic weet wel bloet Eer st d. w. vercocht
Roelande ontbr.
6*
84 III. ROELANDSLIED.
Die coene waren ende fier. Doen versloecher Roelant
640 Wel XX. metter hant; Ch. 2058. Gautier VIL. Tulpijn vive Roefden sire vanden live. „ 2059.
Doen seiden die Sarrasine: „Dese doent so wel an scine 645 Dat si ons leet hebben utermaten ; Nochtan selen si tleven laten.” „ 2060—3. Roelant de grave fier, Tulpijn ende Gautier
Bleven tsamen op der heiden, „ 2066—8. 650 Datsi niet en wouden sceiden. „ 2069.
Qualie dorsten hem ghenaken
Die Sarrasine, in waren saken. „ 2073.
Met gaveloten ende schichte
Scoten si even ghedichte. „ 2074—5, 655 Gautier wert dorscoten daer, „ 2076.
Dat segghic u over waer. E
Tulpijns ors scotense doot, „ 2081.
Datti moest vallen in der noot, „ 2082?
Ende ghinc te voet staen, „ 2085?
660 Dat segghic u sonder waen. Die bisscop Tulpijn riep, Daer hi te voet vechten liep:
| (Hier vangt L. weder aan).
Dat orcont die was op ’t velt, Dat w4 hier hebben ghetelt;
hd
Vs. 645 hs. D. s. o. welna souden maten; 663 hs. op welt; 664 hs. Dat wer hebbe. H. vertoont hier eene gaping, die slechts gedeeltelijk uit L. kan worden aange- vuld. Vóór vs. 662 ontbr. nog eenige verzen, die overeenkomen met deze van het origineel (vs. 2086—2094): 2085 Isnelement li ber resaillit sus; Rollant reguardet, puis sì li est curuz E dist un mot: „Ne sui mie vencuz; Ja bons vassals nen iert vifs recréuz.” Il trait Almace, s'espée d'acier brun, En la grant presse mil colps i fiert e plus. Puis le dist Carles, qu'il n'en espargnat nul; Tels JIIL cenz i troevet entur lui; Alquanz nafrez, alquanz par mi feruz, Si out d'icels qui les chiefs unt perdut;
III. ROELANDSLIED. 85
665 Die goede grave Jelijs Ch. 2096. Maecte dese jeste, des sijt wijs; » 2097. Hi souder node, sonder waen, Loghene toe hebben ghedaen. Waer oec iement, diet wedersede,
670 Hi hadde miner herten lede. Noch doen vacht Roelant | Met ghewillegher hant; „ 2099. Nochtans was hi vermoyt seere, „ 2100. Die gheweldeghe heere. |
675 Doen setti den horen te monde Ende blies eene corte stonde !), „ 2104. Dat hem dede onsachte, Se Eer hi den luut ut brachte. Karel hoordet, daer hi was,
680 Ende wert ghewaer das, „ 2105. Dat Roelant nemmeer en mochte, Alsoe als hem dochte. „ 2108. . Doen sprac Kaerle te hant: „ 2106.
„Ie wet wel, dat Roelant
Vs. 665 hs. Jelis; 667 hs. noede; 668 hs. tuwe; 669 hs. dit; 670 hs. mijner hertte; 671 hs. wach; 673 hs. vernijot; 674 hs. gheueldege; 676 hs. ene cortte; 677 hs. ontsachte; 678 hs. luyt wyt brochte; 679 hs. Kare hordet; 681 hs. nemmermeer. 1) In H. leest men hier (vs. 307—316), Borm. bl. 146; Serr. bl. 49,
Doen vinc Roelant ten zwerde, Ende ginc vechten herde; Alsoe gewont alse hi was Sloech hire XXX. int gras, Datti wert vermoyt zeere, Datti qualike mocht meere, Ende was droeve om sijn verlies, Ch. 2102 Hem scorde de tempel, doen hi blies. Hi sette den horen te monde | Ende blies ene lange stonde, In va. 676 vertoont L. blijkbaar de juiste lezing; in het Fr. toch lezen wij: „Trait Yolifan, fieblement le sunat.” In H. leest men hier deze regels (vs. 317—332): Dat hem dede onsochte, Eer hi den luut volbrochte. Karel horet daer hi was, Ende waert gheware das Doen sprac Karel thant: Noch horte, Roelant
86 III. ROELANDSLIED.
685 Ons saen ghebreken sal. Ch. 2107. Dat es mi een groot ongheval. „ 2106. Die daer wilt gijn en sal niet sparen.” „ 2109. Die coninc dede blasen twaren Allent *) gheblas, dat daer was; „ 2110. 690 Ende Roelant verblide das, Dat es waerleke dinc, Dat hem soe na was die coninc. Tgheluut was groot overal,
Beide op berch ende in dal. „ 2112. 695 Die Sarrasine hen onderspraken : „Kaerle beghint ons ghenaken; „ 2115.
Ten doech niet, dat wi ons sparen. Wi moeten ons anders bewaren ; Want blijft levende Roelant,
700 Soe verliesen wi Spangien lant.” „ 2118—9. Als die Sarrasine dat vernamen, Tracker IIIe te samen, „ 2120.
Ende daden op Roelande daer Een assaut fel ende swaer.
705 Ende Roelant en wilde niet wiken, Maer vacht als een leeu waerliken %). Vn. niet 0. Roelant stac ende Tulpijn sloech,
„ 2122.
Sal ons ghebreken saen,
_ Dat hebbic ant blasen verstaen. Dier wille sijn, sal niet sparen. Doen dedi blasen te waren Alt gheblas datter was.
Roelant verblide das,
Dat es waerlike dinc,
Dat hem soe na was die coninc. Tgheluut was groot overal, Beide op berch ende in dal.
Hier eindigt H.
Vs. 686 hs. onghewal; 687 en ontbr.; 692 hs. Omme dat hem; 694 hs. Byede op b. e. op dal; 701 hs. Sarrasinen; 702 hs. IIIIC hondert; 706 hs. als een leu waer- licke; 707 hs. sloch.
1) Zie over dezen vorm Mnl. Wdb. I, 311.
2) In Vn. leest men nl.:
Tant se fait prog et tant se fa ardis, Cu fait el leons, quant e maltalentis, Anci li muroit que il voile fuirs.
Terwijl O. heeft :
Tant se fait forz e fiers e maneviz, Ne s'recrerrat, tant cum il serat vifs.
II. ROELANDSLIED. 87
Ende daden hen leet genoech; Want si waren onvervaert 710 Ende vochten als liebaert. Die bisscop Tulpijn hi riep, Daer hi te voete vechten liep: Ch. 2137—8. „Keert hierwaert, edele ghenoot, „ 2131. Ie wille bi u bliven doot; 715 Want ic hebbe die stat ghenomen, „ 2139. Daer ic niet af en wille comen.” | Doen sprac die grave Roelant: „rulpijn, dat wetic u danc, Laet ons vechten overal, 120 Kaerle comt, die ons wreken sal.” „ 2145. Doen spraken die payen: „Dese en willen niet vlien. Wat hulpt ons strijt begonxen, Si en moghen niet sijn verwonnen!’’
hd 725 Vant hi ligghende Olivier. ’} _ « __Hi nampen in den aermen sijn, „ 22012. ej oi ee ) Ende droechen voor Tulpijn. ___; ‚… In enen scilde dat hire leide Voor dien busscop op die heide. _ 730 Die busscop seghenese al gader, „ 2204—5. Ende bevalse den hemelscen Vader. „Ay Olivier!” sprac Roelant, | „ 2207. Van groter daet waerdi becant, Ende goet ridder ende coene, „ 2214. 735 Des graven Reiners sone! „ 2208. Ghi hebt Kaerle ghedaen grote eere, Ende van menighen lande ghemaect heere.” Roelant dreef groot mesbaer Om sine ghesellen daer: (40 „Mi ware leet, soude ic langher leven, Sint dat ghi allen doot sijt bleven.” Be Ki En hs. ghenoch s 709 hs. onverwaert; 713 hs. Kert hierwert edle; 715 hs. ins hs. vlieden; 723 hs. begonden; 7125 hs. Want hij legende; 727 hs. drochen SW; 128 hs. hete; 780 hs. sengense; 731 hs. wad’; 783 hs. verdi; 735 hs. Rei- Er bie: hs. groet; 737 hs. menige lant; 739 hs. sinen gheselle. se Eek men uit de overeenkomstige verzen van het origineel kan zien, is hie, ‚ In de weggevallen regels wordt verhaald, hoe Roeland de lijken der ge-
Sneuy . ss en . oe rin Ra Pairs bijeenzoekt en ze voor ‘Tulpijn brengt om ze te laten zegenen; Oliv A) het laatst (zijn ros Veillantif is door de Sarraeenen onder hemm gedood
88 III. ROELANDSLIED.
Van hem selven wert hi onbedacht, Ende viel neder in onmacht. Ch. 2220. _ Doe sprac die busscop Tulpijn: 745 „God moet u ghenadich sijn! “Ende stont op alte hant, Ende nam den Olifant. „ 2224, Coude fonteine hier mede reicte, Daer hien mede verqueicte. 750 Doen richti hem op ter stont Hem beiden was die doot cont, Ende die busscop crancte seeré, Daer soe sterf die heere. Alse doen Roelant ghesach, 755 Dat die busscop doot lach !), V. en P. niet O. Claechdine vele seere, Ende bat Gode ofsen heere, Dat hi sijn siele te paradise Gheweghe ende ghewise. Ch. 2241. 760 Roelant doen wel bekinde ne Dat het naecte sinen inde: Die hersenen liepen hem uten oren, „ 2259—60. Daer hi den tempel af hadde verloren ?). Durendale hadde hi in sijn hant, 765 Ende oec den Olifant, Ende ghine doen, alst wilde God, Te Spaengien wert IL. boghescot. „ 2263—70. Alsoe ghinc hi alleene Daer hi vant „IIII. merbersteene, 170 Onder twee boemkine, Dat hem wert te groter pinen, Als hi daer quam, ghebrac hem cracht Ende viel neder in onmacht. Dat heeft een Sarrasijn vernomen, „ 2274. 775 Die daer alleen was comen, _ Ende maecten doot ende lach al stille, „ 2275. Om te doene sinen wille. |
Vs. 742 hs. ont bedach; 743 vel n. d. onmacht; 745 hs. alleen ghe, het andere ontbr.; 750 hs. richte; 751 hs. bieden; 754 hs. Alsoe; 756 hs. Claegdine; 759 hs. heueghen en gewysen; 761 hs. naecten; 762 hs. herssenen — oeren; 764 hs. Dueren ile; 766 hs. vilde; 767 hs. wert hij L. boge scoet; 769 hs. want t; 771 hs. groten 3. verandert dit in: een grote p., 774 hs. ghesien.
1) In V. leest men b.v. „Quando Rollant vid l'arcivesque mort.”
Vgl. vs. 408.
III. ROELANDSLIED. 89
Met bloede was hi besleghen. Ch. 2276. Als Roelant was neder gheleghen, 780 Stont hi op ter vaert » 2277,
Ende liep te hem waert t),
Ende waende wel te voren
Tswert hebben ende den horen,
‘Ende waendet %) in Arabien draghen, „ 2282. 785 Dat hijs niemant en soude ghewaghen.
Maer Roelant doen bequam, V. Vs. Vz. niet 0.
Ende als hi dien Sarrasijn vernam,
Ende hien metten oghen siet:
„Dune best van minen ghesellen niet’, Ch. 2286. 190 Sprac te hem Roelant,
Ende verhief den Olifant;
Soe seere hien verdroech,
Dat hi den ghenen doot sloech.
Ende sprac: „Hoe wertstu soe coenc, „ 2292. 195 Dattu dit bestonts te doene,
_ Dattu nemen wouts mijn swert?
Du best wel der doot wert;
Dor di hebbe ie minen horen
Ghescaert in dat wide voren, 800 Soe datter af es ghevallen
Beide gout ende cristallen…” „ 22956.
Doen porde Roelande die doot,
Die hem dede anxte groot.
In sijn hant nam hi Durendale, 805 Dat segghic u met warer tale, ‘
Ende sloech driewerf op den steen; „ 2301(2312)?
Dan es loghene negheen,
Hen scarde no en winde -
Van der hilfen toten inde.
810 Anderwerf hijt verdroech, Ende opten steen daer mede sloech, Datter een groot stuc ghevel; „ 2338—9.
s7o he, Als hij wel was neder gh.; 780 hs. sont hij ter waert; 781 Ontbr. In
Ve he ‚Fr stiet sei en piez e de curre se hastet”; 782 hs. Ende wende wel te woeren; ot he Jlouwe wertstu soe coe..…; 796 hs. Datstu n. vout m. sw....; 798 hs. die; ar ns. in dat wide woer; 800 hs. ghe wallen; 801 hs. cristale; 802 hs. Roelant;
«4 hs. hij den dueren....…; so hs. hilden totten ijnde; 810 hs. hij verdroch; 811 hs. sloch. 1) B. ter stede waert.
2) B. leesi te onrechte: waendes.
805 hs. ta....; 807 he. neg ....;
>
808 hs. En scarde; _
90 III. ROELANDSLIED.
Des moochdi mi ghelooven wel.
„Ay Durendale”, sprac Roelant, 815 „Ie wane God maecte u metter hant. d
Du en moghes niet sijn ghebroken,
Du hebs Gods viande ghewroken.
Di en draghe nemmermeer man,
Datten iemen vercoenen can. Ch. 2351. 820 Te bidde Gode, datti nien ghehinghe,
Dat dit sweert die kersten dwinghe,
Ende dat aen onse side blive.
Hets ghedaen met minen live.”
Roelant crancte seere, 825 Ende riep: „Ghenade, lieve Heere!’
Ende claghede sijn sonden haerde, „ 2364.
Einde viel neder op die aerde.
Doen leid onder hem wale
Beide den horen ende Durendale. „ 2359. 830 Mi bad God met sueter bede,
Dat hi sijn siele ten paradise ghelede.
God selve sinen inghel sende,
Daer die grave Roelant ende.
Doen Kaerle én Roncevale quam, « „ 2398. 835 Wert hi serich ende gram;
Ihi vant groot vole versleghen,
beide aen heiden ende aen weghen.
Hem en dochte gheen stede !) sijn,
Daer en lach payen och kerstijn. „ 24001. 840 Daer riep Kaerle te hant: „Waer sidi, neve Roelant! „ 2402. Waer sidi Tulpijn ende Olivier, Ch. vs. 2403. Sampsoen, Anceus ende Inghelier! ”» 2408.
Waer sijn die XII. ghenote ghevaren?”’ „ 2410. 845 Menich daer in onmacht viel twaren: „ 2422. Die broeder vant den broeder doot, „ 2420.
Vs. 813 hs. mochdij mij; 814 hs. Dueren dale; 815 hs. dat u God maecte mett...; 816 hs. moghens; 817 hebts G. vianden; 818 hs. En en draghet; 819 hs. ye men; 820 hs. d. hij n. e. gheh....; 82! hs. Dat die Sarrasinen die kersten niet meduingen. B. voegt er bij: „Le vers a été biffé, corrigé et recorrigd.” 823 hs. ....s ghedaen; 826 hs. claghede s. s. harde; 827'hs. erde (eerde?); 828 hs. .…... liet hij o. h. wallen; 829 bs. Dueren dale; 830 hs. sutter beden; 831 hs. paradijs gheleiden; 834 hs. K. en Rontseuale; 836 hs... want groet wolc verscleghen; 837 hs... de a. heden; 838 hs. .... en dochte ghen liede (lede?); 839 hs. noch A.; 844 hs. genoeten. 845 hs. in onmacht wiel....; 846 hs. want.
1) Volgens de emendatie van Verwijs. Zie T, en L. III, 221. Echter zou lede
‘vaar den stain van Uiden) wellicht ad kunnen beteekenen.
III. ROELANDSLIED. O1
Die vader syn kint, dats jamer groot. Die hertoghe Naymes sprac doe _ Kaerle dapperlije toe *): Ch. 24234. 850 „Heere coninc”, seiti, „twaren Hier en helpt gheen kermen noch ghebaren®), P. niet 0. Wi hebben allen veel verloren; Laet ons wreken onsen toren. Ch. 2428. Soe wi langher merren, 855 Soe onse viande meer ontverren. Je sie tghestof van haren karinen,. „ 2426. Wilt God, wi sullent hen doen finen Die mort, die si hebben ghedaen, Eer si ons iet verre ontgaen.…” 860 Si spraken allen doe: „Ay God, help ons daer toe!’ Die coninc beval Gaveloene 5)
Va, 847 hs. …. e wader kint dat es j. g.; 849 hs... de d. tuwe; 851 hs. help ghen ker me noch ghe claghe; 852 hs. wel verloeren; 853 hs. vreken; 855 he. vianden m. ontferren; 856 hs. sien ghestof; 857 hs. sullent h. d. tfinen; 859 yet; 860 hs. doen; 861 hs. Godt h. o. d. tuwe; 862 hs. bewael Gaueloene (Ganeloene).
1) Men zou kunnen vermoeden, dat dit vers bedorven is. Indien men echter het origineel vergelijkt, vindt men:
Naimes li ducs d'igo ad fait que pruz, Tuz premerains l'ad dit lemperéur:
Ik geloof dus eer, dat de vertaler de door mij gecursiveerde woorden heeft willen weergeven, al gelukte hem dit kwalijk.
2) In O. vindt men niets, wat hieraan beantwoordt; alleen in P. leest men: „„Drois Empereres, trop vos poez irier // Diaus sor doloir ne vault pas un denier.” Dien laatsten regel of een dergelijken moet de Nederl. bewerker hebben willen weergeven. |
3) B. leest Ganeloêne en verdedigt die lezing op dezelfde halfslachtige wijze als zijn „prototype thiois” Eerst zegt hij (t. a. p, p. 117): „Il est impossible qu'il (nl. le copiste) ait voulu faire confier la mission, dont il s’agite au traître Ganelon” omdat echter Ganeloen’s naam niet in dit fragment (L.) voorkomt en omdat de „remanieur thiois en avait rigoureusement ramené l'action à sa simplicité primitive”, wekt hij die eerste bewering onmiddelijk weer in en nu lezen wij: „Le traducteur 0u, pour parler plus justement, l'imitateur thiois, dans sa manière de disposer les choses, a donc pu ici donner à Ganelon une mission de confiance.”
Daar ik slechts aan ééne Mnl. bewerking geloof, die weinig meer is dan eene vertaling, kan ik niet anders denken, dan dat wij hier met eene vergissing van den Afschrijver te doen hebben. In het origineel lezen wij:
Li reis cumandet Gebuin e Otun Tedbalt de Reins e le cunte Milun
In de oorspronkelijke Mnl. vertaling heeft dus, meen ik, gestaan: „(ebuine ende Ôtoene” of iets dergelijks. Het is echter ook mogelijk, dat de Mnl. vertaler werkelijk Gavelbene heeft geschreven, omdat hij daarmede een anderen persoon wilde aan- duiden dan Ganeloen.
92 III. ROELANDSLIED.
Die sciltwachte te doene, Ende Tibaude dat hi sal 865 Die doden wachten overal, Ch. 2432—6. Dat se wolf noch lyoen En ghenaket noch griffoen. Doen dede Kaerle, die Gods vercoren, Blasen alle sijn horen, „ 2443. 870 Ende reden, tes si vernamen, Datsì bi den vianden quamen. Als Kaerle dat ghesach, | Dat hem ghebreken soude die dach, „ 2447. Viel hi vele weerde 875 Neder op die eerde,
Ende bat Gode den goede „ 2449. Dor sijn ootmoede, Dat hi die sonne dede staen, „ 2450.
Dat hi die viande mocht slaen.
880 Doen sprac te hem haestelike Een inghel van hemelrike: „ 24523, „Kaerle, u en sal daeghs niet ghebreken. Ch. 2454. Vaert u haestelijc wreken,
Over die u dader toren; Ch. 2456.
885 Want die bloem hebdi verloren” „ 2455. ‚ Kaerle en heves niet vergheten,
Ende es saen opgheseten, » 245%.
Ende dancte onsen Heere __Diepelijc om die eere 890 Die hi hem doen woude,
Datti hem den dach lenghen soude.
Die Sarrasine diet becochten,
Vloen dat si mochten: „ 2460.
Tot Saragoysen dat sise jagheden, . „ 2462. 895 Dat hem die tonghe ragheden )
Ute haren monde.
Men sloechse als honde.
‚ Voor hen vonden si een water diep,
Vs. 863 hs. scielt w. te doenne; 864 hs. Tibande; 866 hs. vol/ n. l.; 869 he. allen ; 873 hs. den dach; 879 hs. vianden; 880 hs. haestelijc; 882 hs. daghs; 883 hs. waert ; 884 hs. di; 885 hs. Wan die blom heb dij v.; 888 hs. dancten; 889 hs. van der eren; 891 hs. Dat hem d. d. Ll. w.; 892 hs. Sarasine dijt bechoten; 894 hs. sisen jaghen; 895 hs. rageden; 897 hs. sclose als honden; 898 hs. dip.
1) B. leest: jaghen // raghen; maar overal is het Impf. gebruikt en er is dus geen reden alleen hier een Praes. histor. aan te nemen. De lez;ng van het hs. beslist hier niets, daar het eene w. w. in het lmmpf., het andere in het Praes. staat.
LS
UI. ROELANDSLIED. 03
Dat utermaten sere liep; Ch. 2465—6.
900 Si en vonden scep noch barke: „ 2467. Die Sarrasine verdronken starke. Op Mamet dat si riepen, Vv, P. Vs. niet 0. Dat hise hulp uten diepen; | Dies si hadden clein te bet, Ch. 2469. 905 Want si verdronken altemet. „ 2474.
Álse Kaerle sach te waren, Dat si allen verslaghen waren,
Oft verdronken in die riviere, „ 2476—7. Doen keerdi weder sciere, | 910 Ende dancte onsen Heere „ 2480.
Diepelike van der eere, Die hiò hem hadde ghedaen t), Dat hi die sonne dede staen. Doe 2) sprac Kaerle die heere: 915 „Hets herberghens tijt tameere 5), | Wi en connen te Roncevale „ 24823. Nu niet comen wale. Onse perde moeten eten gras;
Want si moede sijn ende las. „ 2484. 920 Wi moeten hier ontbeiden. Doet af die ghereiden. „ 2485.
Si hebben hongher ende dorst seere.” Te betene gaf orlof die heere. Die moede es van dachvaerden, 925 Slaept vast op der aerden; „ 2494. Alsoe dede Kaerle daer, | Dat segghic u over waer. Daer en dede niemen wachte In alle dien nachte; „ 2495.
Vs. 899 hs. seer (sier?); 900 step n. barken; 901 hs. Sar. verdrucken stercke; 902 hs. rippen; dat ontbr.; 908 he. dieppen; 904 hs. cleijn te bat; 905 hs. ver- drucken; 906 hs. die waren; 908 hs. verdrunken i. d. riwieren; 909 hs. kerd:; 910 he. dancten; 913 hs. de staen; 915 hs. harbargen tijt tame’; 918 hs. eeten; 921 hs. ghereyde; 922 Wi; 923 hs. betene; 924 hs. dach waert; 925 hs. Slapt v. o. d. eerden; 926 Karke (Karlre?); 927 hs. Seg ic; 928 hs. dedi niemen wachten; 929 hs. nachten.
1) „Vers rogné” (voegt B. er bij) dat door hem ingevuld is naar vs. 890, maar Juist daarom doet men dan ook beter hem te schrijven in plaats van hen, zooals B.
2) Het hs. heeft volgens B. des, dat hier geen goeden zin geeft.
3) B. leest: „Hets h. tijt; te meere etc. Maar de lezing is zeer goed en er bestaat geen reden die voor eene slechte van B. te laten varen, welke bovendien niet eens sved Middelnederlandsch is; de geheele zinwending is Nieuwnederl,
94 II. ROELANDSLIED.
930 Sonder alleen God die goede Was der Kersten hoede. Oec soe sendi waerlike Enen inghel van hemelrike,
Die sijns soude nemen goom; Ch. 2526—7. 935 Ende brochten in enen droom, „ 2529. Dat II. griffoenen quamen !), „ 2544. Daer si grote scade bi namen Ende een onghewederte %) groot; „ 2533. Ende dochtem Roelant wesen doot %). 940 Oec docht hem comen een vier „ 2535.
Alte snel ende ongheluer.
Daer na Kaerle vernam,
Dat een lioen quam „ 2549.
Grammelijc te hem weert, „ 2550. 945 Daer hi seer af was verveert,
Dien hi ontgaen niet en conste.
Te roepene hi begonste
In sinen droom harde zeer.
Dus lach Kaerle die heer 950 Van droome tonghemake *);
Nochtans en wert hi niet in wake. … 2554. Ende na desen vare Dochtem datki in Vrankrijc ware, „ 2556.
| In sinen payse, ghevaren. 955 Doen sach hi wel XXX. baren Comen, als hem dochte. „ 2558. Ele als een man spreken mochte, „ 2559.
Vs. 934 hs. soede n. goem; 935 hs. drom; 940 hs. hen; 941 „Vers rogné” (B.); 944 hs. wert; 945 hs. sier(?) af w. verwert; 948 hs. droem hardde zier; 950 hs. Wan droeme; 951 hs. en wacke; 952 hs. vaere; 953 hs. dat sij in V. waer; 957 hs. Die elc.
1) In het Fr. „Grifuns i ad plus de trente milliers.”
2) B. leest: „ongheweder te groot.”
3) Het geheele verhaal van Karels droom is door den Mnl. vertaler slechts uit de verte gevolgd en zeer verkort, gelijk men uit de vergelijking der overeenkomstige verzen van het origineel kan opmaken. Deze regel staat hier echter al zeer vreemd tusschen en ik kan in het verhaal van den droom (in het origineel nl.) geen vers aanwijzen, dat hieraan beantwoordt. Vóór dit verhaal staat o.a. een regel, die misschien als origineel gediend heeft (vc. 2513): „Carles se gist, mais doel ad de Rollant.” Het hs. heeft: „dochten.” B, stelt voor te lezen: „Ende dochten al tvolc wesen in noot”, dat dan eene vertaling zou zijn van vs. 2541: En grant dalur i veit ses chevaliers.” Ik ben eer geneigd aan eene achteloosheid van den vertaler te denken.
4) B, verandert dit te onrechte in: „droomene.”
IL. ROELANDSLIED. 95
Ende hiesschen, dat hi hen gave Haer maech: „Si wouden daer ave Ch. 2560. 960 Selve rechten ende wreken.” Aldus consten si hem spreken !). Een rode lieper van sinen hove ?%), » 2563. Die hem dienen woude te love, _ Vechten jeghen dien meesten 8); „ 2564. 965 Soe tellent ons die jeesten. Nochtan en wist hi niet, wie verwan. „ 256%. Aldus droomde die edele man, Marcielys die coninc, Dat was waerlike dine,
970 In Saragoysen hì vloe tj O0; A A de ne Hi hadde verloren zwaer pant, Beide aerm ende hant; „ 2574.
Dat dede Roelants swaert. 975 Hi was seer vervaert, Ende gaf op scilt ende spriet: „ 2572. Hien wilde meer vechten niet; Want hi was seer versacht, Ende viel neder in onmacht. 980 Doen quam te-dier stonde Sijn wijf Braymonde Ende weende vele seere » 25467. Om den mesval van haren heere. Si vliec5) haren God
emenenme
Vs. 959 hs. Haer macht sij woeden daer aen; 962 hs. En een liepen v. s. hoeve; 964 hs. die meeste; * 966 hs. viest hij niet wij v'wa; 967 hs. den edeleman; 968 hs. conic; 969 hs. dinc ontbr.; 973 hs. beyde aerme; 974 hs. Roelant swert; 975 hs. ver waert; 976 hs. scielt; 977 hs. mer wechten; 978 hs. ster versaecht; 979 hs. ‚ommacht; 982 hs. veende wele sier; 983 he. Om die meswael (B. voegt er bij: „Il y a eu d'abord aussi: van onsen heere); 984 hs. Sij vlieken haer.
1? Deze regel schijnt niets dan een stoplap te zijn; in het origineel vind ik niets overeenkomstigs.
2) B. Een reu; rode is de gewone vorm van het woord.
3) Men zou geneigd zijn te denken, dat deze regel bedorven is. Dit is echter niet waarschijnlijk. Uit de vergelijking met het Fr. blijkt, dat dit vers de vertaling moet zijn van vs. 2564, waar van den rode (veltres) gezegd wordt, dat hij den grootsten beer aanviel: „Entre les altres assaillit le greignur.”
4) B. vult dezen regel aldus in: „In den vergier beetti onvroe”, dit zou eene vertaling meeten zijn van vs. 2551: „Suz un olive est descenduz en l'umbre” of van vs. 2573 \Sur la vert herbe mult laidement se culcet.”
5) B. vloecte. Er is echter niet de minste reden het oorspr. sterke impf. te ver- vangen door den lateren, zwakken vorm.
Go III. ROELANDSLIED.
985 Ende wedersede sijn ghebot,
Om datti niet en hadde ghedaen, Datsi den seghe hadden ontfaen. Ende seide: „Die u dient, waerlike Hi bestadet qualike;
990 Want ghi sijt van cranken lone.” Ch. 2584. Si namen hem sijn erone „ 2585. Ende voerdene onsochte; Ele sloeghene, die mochte.
In een ketene sien hinghen; „ 2586. 995 Hi en mocht hen niet ontspringhen. Met stocken sine blouwen, „ 2588.
Dat hem sijn leven mocht rouwen.
Ende Tervogante mede
Sloeghen st ontwee sijn lede, „ 2589? 1000 Ende werpene in een peliaert !).
Mamet en bleef oec miet ghespaert 3):
Hen es gheen soe vuul marasch, :
Als daer hi in gheworpen was. „ 2590.
Als Marcielijs vernam, | 1005 Dat hi van der onmacht bequam, „ 2592.
Bat hi vriende ende maghen,
Dat sine in een camer draghen. „ 2593.
Hi was verweloos ende bleec,
Dat sinen wive qualijc gheleec 3).
1010 Si weende ende trac haer haer, „ 25956. Dat segghic u over waer. e Lude riep si doe: ”» 2597.
„Ay Saragoyse, hoe
Vs. 985 hs. gheboot; 986 hs. Omme datti; 989 he. Ghi'b. qualijcke; 990 hs. Wan ghij; 991 hs. croene (retouché B); 992 hs. ontsachte; 993 hs. scloechene; 994 hs. hijnghen; 995 hs. ontsprenghen; 996 hs. sten bluwene; 997 hs. lieven moch; 999 hs. Sloghen ontwee sijn lieden; 1000 hs. verpene in een peliart; 1002 hs. En es geen s. vul; 1005 hs. ommacht; 1006 hs. vrienden; 1008 hs. verweloes, 1009 hs. wijve qualic; 1010 hs. wende; 1012 hs. duwe; 1013 hs. Saragoysen.
1) Het woord is mij niet bekend; waarschijnlijk moet het iets dergelijks betec- kenen als marasch, al lezen wij in het Fr. alleen: pE Tervagan tolent sun escar- buncle.” Het zou ook kunnen zijn, dat deze regel ontleend was aan de beschrijving der mishandeling van den afgod Apolin (vs. 2580): „Ad Apolin current en une crute // Tencent à lui, laidement le despersunent” (d. i, zij snellen naar Apolin,